GEZELLIANA

Constant Broos (TM.LC@ping.be)
(Aflevering 2)

[Naar aflevering 1]


Waarover schreef Guido Gezelle? Wat was het uitgangspunt voor de vruchtbare dichterlijke inspiratie van deze taaltovenaar - zoals Albert Westerlinck hem graag noemde? In welke wereld leefde hij, de priester, de leraar, de dichter? Grasduinend in zijn poëzie, constateert men dat praktisch alle gewone dingen uit het dagelijks leven het voorwerp konden worden van zijn poëtische taalcreaties. Daardoor wordt het een moeilijke opgave om Gezelle's gedichten in een systematisch overzicht naar inhoud of naar vorm samen te vatten. Professor René Lissens - een gerenommeerd Gezelle-kenner - heeft nog in 1980 een poging in die zin ondernomen (zie zijn opstel Omtrent de poëzie van Guido Gezelle in VD-I, blz. 7-28). Daarin stelde hij dat er vier primordiale bronnen zijn waar Gezelle voortdurend zijn lyrische taalexperimenten aan ontleende, te weten God, de natuur, het vaderland en zijn eigen gemoedsleven. Wat hier volgt zijn gewoon enkele persoonlijke bedenkingen bij een paar bekende gedichten.

Het gebeurde al eens dat Gezelle een of ander grappig volks verhaal uit zijn mouw schudde, of het lijkt althans soms zo dat dichten hem maar weinig inspanning kostte. In het amusante "Boer Naes die twee runders ging verkopen naar de stee", is het alsof hij gewoon een spelletje speelt. Zo lijkt het ook in het speelse - bijna cynische - relaas over de schalkaard die "een bie" (een bij) gevangen had, waarmee hij een argeloos jongetje wou misleiden. Het kind dat zich van geen kwaad bewust was, kwam echter vlug tot de pijnlijke bevinding: "Het beestje is schoon genoeg, maar 't heeft zulke heete pootjes."

Het gebeurde dat hij spontaan op een brief antwoordde met een haastig neergepend gedicht, zoals in Een dichterlijke groet uit 't oude land. Daarin schreef hij::

Ik dicht nog altemets entwat,
in onze tale, op dit op dat;
en kwam vandage
te lezen onverwacht uw' verzenvrage.

Zoo haast heb ik de pen gepakt,
met int heur' stalen bek gewakt;
ik zit al neere
en schrijve u, eerst van al: 't is zomersch weere.

Het is overduidelijk dat we veel van Gezelle's gedichten als natuurgedichten kunnen catalogeren: de natuur is inderdaad ontelbare keren het uitgangspunt van zijn dichterlijke bezinning. In zijn eigen enigszins 'gezuiverde Westvlaamse sprake' en op zijn eigen vlotte wijze verwoordt hij dan zijn dichterlijke ontroering bij het aanschouwen of beluisteren van allerlei dingen in de natuur, die tot hem spraken of hem zelf deden spreken. Aan het slot leidt dit soms tot een soort zedenles of een boodschap die de natuur hem op sprekende wijze duidelijk maakt.

Zoals in de tijd van Franciscus spraken de dieren soms ook echt. Als hij aan de op het watervlak heen en weer flitsende watertorren vraagt: "Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?", dan zijn de "krinklende winklende" wezentjes niet te beroerd om hem gewoon in mensentaal van antwoord te dienen:

"Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!"

Hij luisterde blijkbaar ook heel aandachtig naar de natuur, waarin - zoals hij zegde - zelfs "'t lijzigste gefluister een taal en teken heeft". Als de mens echt bereid is te luisteren, zullen de meest onvermoede "wegelen van Gods heiligen voet" hem dikwijls Gods woord openbaren. Want de bomen, de stromen, de wind en de wolken... alles spreekt een eigen taal en verraadt de hand van God.

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
't lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blaren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heiligen voet,
talen en vertolken
't diep gedoken Woord zo zoet...
als de ziele luistert!

Zo kwam hij tot één van die talrijke verrassende gedrongen dichterlijke uitspraken, zoals hij er zoveel noteerde - embryonale gedichten zouden we ze kunnen noemen! - waarin hij vertelde dat hij kon 'horen' hoe koud het wel was! (VD-8, blz. 197):

Men hoort dat 't koud is.

Heel wat concrete gebeurtenissen in zijn leven bleken eveneens van bijzondere betekenis voor deze man, die als het ware bezeten was door een drang om alles in zijn sprankelend taalspel te betrekken. Bepaalde ontmoetingen en gebeurtenissen raakten hem zo diep, dat ze het voorwerp moesten worden van poëtische ontboezemingen die dan soms uitmondden in onsterfelijke gedichten. Denken we maar aan Kerkhofblommen, een tamelijk lang gedicht waarin hij beurtelings proza en verzen aanwendde. Toen Eduard Van den Bussche - één van zijn leerligen - op 3 mei 1858 overleed, stelde de jonge priester-leraar deze bundel in een tijdspanne van enkele dagen samen. En er zijn nog heel wat onvergetelijke 'occasionele' gedichten, zoals bijvoorbeeld Dien avond en die rooze en Ik misse u, die in verband staan met zijn leerling en vriend Eugeen van Oye.

In een ander gedicht O Dichtergeest uit 1877 spreekt de dichter over zichzelf. Het is de vertolking van een intense persoonlijke belevenis. Hij leeft zich uit in zijn dichtkunst, die hij ziet als een middel tot bevrijding: "van wat al banden hebt gij mij verlost", en zelfs zonder dat het hem al te veel moeite kostte - zo zegt hij het tenminste hier (eerste strofe). De dichtergeest - voor Gezelle was dit een goddelijke gave - doet hem zelfs leven "waar menig andre sterven zou" (tweede strofe). Zijn poëzie vervult tegelijk de functie van een zalvend of verzachtend heelmiddel: "Gij zijt genezing" en "de wonden zijn gave en zonder zeer" (derde strofe). Toch blijft de vraag hem kwellen... "maar hoe verhalen?" Niettegenstaande zijn blijkbaar rotsvast vertrouwen op de goddelijke "dichtergeest", leeft er bij hem toch iets als een tantalisch kwellend verlangen. Van zodra hij zijn gedachten onder woorden wil brengen, beklaagt hij zich soms dat het zijn "hert niet wel en gaat", zoals we reeds lazen in 'k Zal mij van te dichten zwichten (zie aflevering 1). Hier klinkt het in de vierde strofe aldus:

Hoe menig werf, hoe duizend malen
hebt gij, o Geest, mij dit gezeid:
maar hoe verhalen?
'k gevoel 't, en zuchte, eilaas, naar uw' welsprekendheid!


[Naar aflevering 3]


POSTSCRIPTUM:

VD = Verzameld Dichtwerk, bezorgd door J. Boets, 8 delen, DNB/Pelckmans, Kapellen, 1980-1991.