GEZELLIANA

Constant Broos (TM.LC@ping.be)
(Aflevering 3)

[Naar aflevering 2]


Vincent Van Gogh is ongetwijfeld de ergst miskende Nederlandse kunstenaar. Het is bekend dat hij slechts kon overleven dank zij zijn broer Theo, die voortdurend en op genereuze wijze in het levensonderhoud van zijn broer voorzag. Al investeren belangrijke internationale groepen nu fabelachtige bedragen in zijn schilderijen, de man kon zijn prachtige doeken tijdens zijn leven zelfs niet aan de straatstenen kwijt. Vincent schreef ook enorm veel brieven. In 1990 werden deze opnieuw - en nu integraal - uitgegeven. Men leest deze documenten natuurlijk niet omwille van hun literaire kwaliteiten: de taal waar deze Brabantse kunstenaar zich van bediende was zeer hartelijk, maar niet helemaal vlekkeloos. Hij schreef ellenlange praatbrieven, waarin men pareltjes van kunstzinnige natuurbeschrijvingen vindt. We citeren hier een stukje uit een van die brieven, waarbij men bijna onwillekeurig aan Gezelle moet denken, zonder daarmee natuurlijk de taalbeheersing van Van Goch te willen vergelijken met die van de fenomenale taalkunstenaar uit West-Vlaanderen. Hij schreef deze brief naar zijn broer Theo op 26 december 1878 vanuit de Borrinagestreek. [De brieven van Vincent van Gogh, SDU, 's Gravenhage, 1990, dl 1, blz.322]

"Dezer dagen was het een eigenaardig gezicht met de witte sneeuw 's avonds tegen het uur der schemering de arbeiders uit de mijnen huiswaarts te zien keren. Deze lieden zijn geheel zwart als zij uit de donkere mijnen weer in het daglicht komen, gelijkerwijs de schoorsteenvegers zien zij eruit. Hun woningen zijn meestal klein en veeleer hutten te noemen, verspreid ook langs die holle wegen, en in het bos en tegen de helling der heuvels. Hier en daar ziet men nog bemoste daken en vriendelijk schijnt het licht 's avonds door de vensters met kleine ruiten."

En nu volgt de aansluitende passage waar J. Boets naar verwijst bij Gezelles gedicht Winternacht:

"Gelijk bij ons in Brabant het hakhout en de eikestruiken en in Holland de knotwilgen, zo ziet men hier om de tuinen, velden en akkers die zwarte doornheggen. Met de sneeuw dezer dagen maakte dat een effect als van een letterschrift op wit papier, zoals de bladzijden van het evangelie."

Het gedicht van Gezelle begint zo:

Hoe zwart staan al de boomen in
de witheid, onverwacht,
van 't overdadig sneeuwen, dat 't
gedaan heeft, van den nacht!

Ze staan daar, als gekoolzwart en
met teekenen geprent,
al zwarte en zware staven, op
een eindloos pergament.

Ze 'n roeren noch ze 'n poeren en,
bij 't nachtelijk gestraal,
men zweren zou dat 't spoken zijn,
of reuzen altemaal.

Bij de eerste strofen van dit sterk picturale gedicht wijst J. Boets op de overeenkomst tussen Van Gogh en Gezelle wat hun wijze om de natuur te bekijken betreft. Als we het relaas van de kunstschilder vergelijken met de aanvang van het gedicht Winternacht, dan zijn we geneigd te denken dat Gezelle ook schildert, maar dan met woorden. Zo schrijft Van Gogh over de zwarte doornheggen, die in zijn geboortestreek zijn als "letterschrift op wit papier, zoals de bladzijden van het evangelie", terwijl Gezelle het heeft over de bomen die in de sneeuw staan als "gekoolzwart en met teekenen geprent, al zwarte en zware staven (letters) op een eindloos pergament." Inderdaad picturale overeenkomst in de taal van twee begaafde schilders - al beoefenen ze elk een ander métier! Men ziet de bomen van de dichter afgetekend staan in de witte sneeuw als zwarte letters op vaal perkament, zoals Van Gogh de doornheggen in de sneeuw eveneens ziet als donkere letters op wit papier.

De bomen in het winterlandschap imponeerden Gezelle. Als het "ruwrijmt en brimmelt" worden ze door het winters geweld pas echt in hun schoonheid hersteld, zo schreef hij in een ander erg zangerig gedicht Het ruwrijmt. Hij hield van die winterse pracht, waarin de bomen hem leken als "van glas", als "vingers omhooge in de lucht", als versierd met fijn Brugs spellewerk (kantwerk). Letten we daarbij op het speelse ritme!

De stilstaande boomen
zijn, witter als wasch,
verwenscht en veranderd
in boomen van glas.

Vol sprieten van boven,
gevlerkt en gevlugd,
die wijzen, lijk vingers,
omhooge in de lucht.

Besponnen van onder
vol netten, die, fijn,
van 't een hout in 't ander
gespellewerkt zijn.

Ook de knotwilgen, de abelen, de dennen, de acacia's, de eiken, de beuken en nog veel meer boomsoorten beschreef de tuinmanszoon, die steeds met open oog en oor heel dicht bij de natuur leefde. Zijn vader noemde zich niet voor niets "pépiniériste", wat in het verfranste Brugge stond voor boomkweker. Grappig is wel dat 'die Brugse pépiniériste' zich later ooit zelf noemde: "Pier-Jan die geen Frans en kan"!

[Naar aflevering 4]