GEZELLIANA

Constant Broos (TM.LC@ping.be)
(Aflevering 4)

[Naar aflevering 3]


In het voorjaar 1854 - enkele maanden voor zijn priesterwijding - werd Guido Gezelle leraar in het klein seminarie te Roeselare waar hij vroeger zelf had gestudeerd. Het werd een vruchtbare tijd voor de jonge priester-leraar, die een grote voorliefde koesterde voor de taal en de schone letteren en die toen al volop aan het dichten was. Hij hield van de Westvlaamse "lieden van te lande", van het landschap in de vlakte bij de zee en van zijn taal. Binnen de besloten wereld van de kostschool trachtte hij te leven als een vader met de leerlingen die aan hem toevertrouwd waren. Vooral door zijn lessen en zijn dichtwerk wilde hij de leider worden van een nieuwe jonge dichtersschool die vooral Vlaams en christelijk zou zijn. Zijn vooruitstrevende houding maakte hem ongewoon geliefd en populair bij zijn studenten, maar dat zorgde tegelijk voor een bepaald ongenoegen in de kring van de andere priester-leraars binnen deze instelling.

Voor zijn leerlingen publiceerde hij in 1858 Vlaemsche Dichtoefeningen. Uit de "Verantwoordinge" die hij aan deze bundel liet voorafgaan, blijkt dat hij een bijzondere aandacht had voor de middelnederlandse poëzie, waarin het Westvlaams dialect steeds toonaangevend was geweest. "Van Maerlant is voor ons geen oud boek", zo schreef hij. Het Westvlaams dialect - welliswaar gezuiverd - was de taal die Gezelle schreef. Hierbij voelde hij zich gesterkt door de Nederlandse dichter Willem Bilderdijk (1756-1831) die hij bewonderde en die insgelijks dialectvormen gedoogde, zo betoogde hij toch. Men bedenke hierbij dat er in die tijd in Vlaanderen nog geen algemene eenvormige schrijftaal bestond. In zijn eerste bundel waagde hij dus een poging om zijn ideeën te propageren. Een pleiade van vrienden en dichters wilde hij rondom zich scharen, jonge mensen die - net als hij - zouden ijveren voor het behoud van de Vlaamse taal. Aan "de studenten van 't kleen seminarie te Rousselaere" droeg hij zijn eerste dichtbundel op in dezer voege:

"Pogingen zijn het om ons vlaamsch vooren te staan en te doen gelden, als meêgerechtigd om deel te maken van de tale des grooten Dietschsprekenden Vaderlands, tale waarvan de woordenschat nog niet verzameld en is, waarvan de spraakwetten alledagen nauwkeuriger uitgezocht ende geboekt worden."

En wervend ging hij verder:

"Pogingen om u, studeerende jonkheid dichterlijke en altijd beminnelijke jeugd en jongelingschap van Vlanderen, tot gelijkdanige, ja treffender krachtinspanningen aan te sperken* en te bewegen."

Toen op 3 mei 1858 een leerling uit zijn klas stierf, verkreeg de enthousiaste leraar van zijn superior de uitzonderlijke toelating, om met de hele poësisklas de begrafenis bij te wonen. Deze had twee dagen later plaats te Staden. Aangezien hij zijn leerlingen innig wilde betrekken bij deze droevige gebeurtenis die de klasgemeenschap nu trof, begon hij te schrijven en te dichten, vermoedelijk enigszins in samenspraak of zelfs in samenwerking met bepaalde leerlingen. Al na enkele dagen kwam het werkstuk - gesteld in verzen en in proza - klaar. Op 16 juni kwam Kerkhofblommen te Roeselare van de pers.

Het werd uiteraard geen vreugdevol gedicht. Het relaas over deze uitstap met zijn studenten stond volkomen in het teken van rouw en dood. Hij hield het jonge volkje vooral het thema voor van het prille zaad dat sterven moet om overvloedig nieuw leven voort te brengen:

Het zaad! het zaad! het wonder werk,
dat nooit, of waar' hij nog zoo sterk,
een mensch gemaakt en heeft:
dat sterft eer dat het leven mag,
dat leeft alwaar 't gestorven lag,
en, altijd stervend, leeft!

Wij gingen ook een edel zaad,
het lijk van onzen medemaat,
al blijde, weenende al,
het land besteên, 't gebenedijd,
dat vruchtbaar, op gestelden tijd,
hem wedergeven zal.

Het relaas over de tocht van de schare aankomende knapen, die onder leiding van hun klasseleraar naar het sterfhuis in Staden trokken - twee uur te voet - behandelt uitvoerig de sfeer in het sterfhuis, vanwaar de rouwende familie en vrienden onder een stralende meizon "traagzaam" optrokken naar de dorpskerk "door de stille straten toen". Bij de uitvaartliturgie in de kerk weerklonken de liturgische gezangen Dies irae en In paradisum, die de poësisleraar op zijn eigen wijze vertaalde. Volgde dan de begrafenis op het kerkhof waar de plechtigheid werd besloten met de toespraak van de leraar, die niet naliet zijn "dagelijksche lesse" voor zijn leerlingen te debiteren bij het open graf.

"Het is mijne plicht, alle dagen, onder Ulieden het woord te voeren;" zo sprak hij, en "heden, dat wij niet meer in het stille schoolverblijf maar te zamen op de boorden staan van een graf, heden en zal ik nochtans aan deze mijne plichte niet te kort blijven, maar u hier mijne dagelijksche lessen voorenhouden."

In 1858 had Gezelle reeds prachtige gedichten geschreven, denken we maar aan De boodschap van de vogels, Pachthofschilderingen, Het schrijverke, O 't ruischen van het ranke riet, In de blanke lonken, De waterspegel, enz... Een echt jeugdwerk was Kerkhofblommen dus niet.

Al klinkt het verhaal ons vandaag wellicht wat archaïsch in de oren, toch getuigt het van een innige en diepmenselijke tederheid, die - bijwijlen in een echte homerische vaart - oprechte eenvoud en schoonheid uitstraalt. Verder vertoont het de gewone Gezelliaanse trekken: er is aandacht voor de zon, de bomen, de koeien... er zijn de zwoegende mensen op het land die vol begrip en deernis de rouwende stoet onder de blakerende zomerzon nastaren.

In de besloten wereld van het klein seminarie werd de jonge leraar al vlug opgemerkt omwille van zijn voor die tijd tamelijk revolutionaire pedagogische aanpak. Hij wilde dicht bij zijn studenten staan en was vaderlijk bekommerd om de jonge knapen die in het besloten kostschoolmilieu leefden. Hij ging anders met hen om dan daar eigenlijk gebruikelijk was; hij praatte veel met hen en ontving hen vaak op zijn kamer. Zo ontstond er al vlug een hechte vriendschapsband tussen leraar en leerlingen. Ook bij zijn lessen leek 'mijnheer Gezelle' een buitenbeentje. Naast de voorgeschreven klassieke teksten, behandelde hij ook andere figuren dan voorzien in het programma, zo bijvoorbeeld Franciscus van Assisi (zie de vertaling van het Zonnelied), Jacopone da Todi, Teresa van Avilla en nog veel andere auteurs. Dit was er mee de oorzaak van dat er door collega's over hem gepraat werd en dat er door zijn overste soms kritische rapporten overgemaakt werden aan de inrichtende bisschoppelijke overheid te Brugge. Zijn leraarschap zou niet van lange duur zijn. Toen zijn collega Bruno van Hove in september 1859 aantrad als nieuwe superior, werd hem de poësisklas ontnomen en werd de begaafde leraar op een zijspoor gezet: hij mocht verder nog slechts klusjes opknappen waarvoor men niet zo gauw iemand vinden kon. In augustus 1860 werd hij in zekere zin weggepromoveerd naar zijn geboortestad.

En daarmee zijn we aangeland bij de tragiek die zijn verder leven in zekere mate getekend heeft. Zonder overdrijving kunnen we zeggen dat deze uitzonderlijk begaafde man op bepaalde ogenblikken waarschijnlijk niet echt tegenkanting heeft gekend vanuit de klerikale wereld waartoe hij als priester behoorde, ook al bevond hij zich op de laagste hiërarchische sport van de ladder. Maar men kan wel stellen dat hij van tijd tot tijd zeker niet het vertrouwen heeft genoten dat hij verdiende. Soms kloeg hij over droefheid, tegenkanting en eenzaamheid... Men heeft de indruk dat hij buien van zwaarmoedigheid moet doorgemaakt hebben, dat er iets was waarover hij maar moeilijk vrijuit kon spreken of schrijven. Slechts bij uitzondering schreef hij echt blije poëzie. Zo is bijvoorbeeld in het gedicht Blijdschap (1859) de oorzaak van de vreugde om zijn aards bestaan misschien eerder in zijn vertrouwen op God en in zijn hoop op het hiernamaals te zoeken: "Ben ik het nog die minne al die mij haten... ben ik het nog die duizend levens wou?" Waarop hij betrouwvol bevestigend besluit:

o! Blijde stonden zijnder nog in 't leven,
en, ware, o God, uw hemel anders niet
als één van die, nog zou ik alles geven
voor één van die, gelijk ik nu... ik nu geniet.

[Naar aflevering 5]