GEZELLIANA

Constant Broos (TM.LC@ping.be)
(Aflevering 5)

[Naar aflevering 4]


Tussen 1860 en 1865 gebeurde er heel wat in het leven van Gezelle. Na zijn ontslag als leraar aan het klein seminarie te Roeselare werd hij aangesteld als professor aan het Engels Seminarie te Brugge, waar priesters gevormd werden die - in het kader van de Oxfordbeweging - in Engeland zouden gaan werken. Waarschijnlijk omdat hij de Engelse taal zo vlot beheerste, werd hij in februari 1861 zelfs bevorderd tot vice-rector van het seminarie. In die tijd gingen er ook verschillende stemmen op die propageerden dat Gezelle in aanmerking moest komen voor een professoraat aan de Universiteit van Leuven: een eenvoudig voorstel in die zin van de Brugse bisschop zou zo goed als zeker een gunstig gevolg gekend hebben. Heel even leek het er dus op dat zijn kansen op promotie er goed voor stonden.

Maar toen de bisschop van Brugge, Mgr Malou, in maart 1864 overleed, volgde Mgr J.J. Faict hem op. En een van de eerste beslissingen van de nieuwe bisschop was de aanstelling van een nieuwe kracht die Gezelle moest vervangen in het Engels Seminarie. En wat met mijnheer Gezelle? Hij werd benoemd als... onderpastoor (kapelaan) in de Sint-Walburga parochie in Brugge, een nederige functie van pastorale dienstbaarheid, waarin hij trouwens zijn kerkelijke carrière ook zal beëindigen.

Zijn taak als kapelaan in deze stadsparochie nam hij zo ernstig ter harte, dat hij er al vlug bekend werd als de ''zeereloper'' (= hardloper), dit vanwege het feit dat men hem steeds haastig door de straten zag hollen. Hij had zijn handen meer dan vol, want sinds 1863 was de ijverige onderpastoor ook nog de journalistieke toer opgegaan. In het weekblad 't Jaer 30 meende de kerkelijke overheid dringend politiek tegengas te moeten geven aan de al maar toenemende invloed van de liberale partij. En wie kon men daar beter voor aanspreken dan de volgzame priester, waarvan men wist dat hij over een uitzonderlijk vaardige pen beschikte. Twintig jaar lang zou de dichter nu zwijgen. Week na week begon hij - onder het waakzaam oog van de bisschoppelijke hiërarchie - zijn journalistieke pennevruchten te spuien. Daarnaast stichtte hij nog het volkse tijdschrift Rond den Heerd, waarin de plaatselijke geschiedenis en folklore, en vooral de Vlaamse taal en nog allerlei andere wetenswaardigheden - inclusief een lezersrubriek - aan bod kwamen. Gezelles proza, dat '''t Jaer 30 en Rond den Heerd vulde, en dat verder verspreid ligt over het later verschijnende 't Jaer 70 en zijn Loquella, is van een heel andere aard en gehalte dan zijn dichtwerk. Het is voor de gewone lezer ook veel minder gemakkelijk toegankelijk en daardoor waarschijnlijk veel minder bekend.

Volgende bijdrage, een postuum verjaardagsgeschenk van de hand van Paul Allossery, een bekend Gezellekenner en conservator van het Gezellemuseum te Brugge in de dertiger jaren, verscheen op 1 mei 1935 in ''De Morgenpost''. Nu - na meer dan een halve eeuw gedegen Gezellestudie - lijkt het ons eerder een nogal ''vergiftigd' geschenk. Oordeelt u zelf maar!


Op den verjaardag van Guido Gezelle''s geboorte

G E Z E L L E E N B I S S C H O P F A I C T

WAS MGR. FAICT EEN VERDRUKKER VAN GEZELLE?

HET EINDE EENER HARDNEKKIGE LEGENDE

Het is een gemeenplaats geworden Bisschop Faict als vervolger en verdrukker van Gezelle voor te stellen, zoodanig dat alwie het aandurft het tegenovergestelde eenigerwijze voor te houden, op een sceptisch glimlachje onthaald wordt of, wat erger is, voor een verkochte en niet-vrij man gescholden. Dit hebben we persoonlijk meer dan eens aan den lijve ondervonden: zoo werden we eens uitgenodigd om te spreken over Gezelle - we verzwijgen liever hier den naam der gemeente - en enkele dagen na ons werd een tweede voordracht aangekondigd, aldaar te geven door iemand die vrijelijk de waarheid over Gezelle zou komen vertellen! Voor enkele maanden nog, namelijk op 20 December 1934, schrijft de ''Gazet van Gent'' Mgr. Faict het belachelijke ''Cette loque-là'' toe, doelende op Gezelle's ''Loquela'', wanneer iedereen weet dat die uitlating niet van hem is.

EEN RAAK OORDEEL VAN HENRIETTE ROLAND-HOLST

In die omstandigheden was het voor ons een deugddoende verrassing niemand minder dan Mevrouw Roland-Holst te hooren zeggen dat het Gezelle's kerkelijke overheid is, onder meer Mgr. Faict dus, die hem gered heeft in de moeilijkheden waarin hij zich bevond. ''Tweemaal, schrijft zij, botsen zijn ongeduld, zijn vurig streven om nieuwe banen te vinden, tegen den langzamen maatgang der bewegende werkelijkheid, tweemaal leek hij te pletter te zullen loopen tegen een muur van vijandige omstandigheden. Beide malen greep de kerk in: haar hand verwijderde hem uit een omgeving waarin hij vastgeloopen was en deed hem elders herbeginnen. Hij leed pijn, zeker; hij werd bedroefd, ook in den zin van gelouterd; hij behoefde zich niet met schade los te wringen, niet zelf te beslissen, zelf te kiezen in een staat des gemoeds, waarin de mensch niet rustig te kiezen vermag. De machtige instelling, waarbinnen hij een nederige funktie uitoefende, en aan welker bevelen hij zich ootmoedig onderwierp, koos voor hem. Welk een groote verlichting, van den, Gezelle toch reeds zwaar vallenden, levenslast, beteekende voor hem de beperking van eigen verantwoordelijkheid door een gezag dat in zijn oogen met een glans van goddelijke wijsheid en schoonheid omgeven was!'' Tegenover de vervolgingslegende, laten we de oorkonden spreken. De lezer besluite dan zelf.

DE KENNISMAKING IN HET KLEIN SEMINARIE TE ROESELARE

De kennismaking van Gezelle met zijn lateren Bisschop zal wel geweest zijn in het klein seminarie van Roeselare, waar Faict superior werd in augustus 1849 en aldus Gezelle's overste was tijdens dezes laatste jaar aldaar, in de klas van wijsbegeerte. De jonge student zal in zijn overste volle vertrouwen hebben gehad en de superior zal den ziekelijken schuchteren student de leiding hebben gegeven die hem broodnodig was. Inderdaad, in December 1852, laat Gezelle, in het groot seminarie te Brugge onder de eerste serie zijner klas, lijk men het zegde, geroepen tot het onderdiakonaat, die blijde tijding onmiddellijk weten aan zijn oud-superior.

In een gemoedelijk schrijven van 11 December 1852, wenscht deze den jongen leviet hartelijk geluk, verklarende dat hij in het feit der roeping in de eerste serie het bewijs vindt dat hij getrouw den gegeven raad heeft gevolgd: ''Age quod agis'': doe wat ge doet! Verder voegde hij erbij: ''Si vous me connaissez un peu, vous devinerez que j'ai été fort sensible à toute la confiance que vous me témoignez'' en, tot blijvend aandenken geeft hij Gezelle toelating bij boekhandelaar Debal voor zijn rekening het brevierboek te gaan halen dat hem het best bevalt. Gezelle's eerste brevier was dus een geschenk van superior Faict.

In maart 1854 werd Gezelle leeraar aan het klein seminarie en wij zijn overtuigd dat het verloop der dingen in Gezelle's leven een andere wending had gehad, ware superior Faict langer te Roeselare gebleven, maar in October 1856 werd hij groot-vicaris van Mgr. Malou. Superior Faict immers, we zagen het reeds, genoot Gezelle''=s vertrouwen en hij was de ware leider die Gezelle juist die leiding zou gegeven hebben welke hij nu zoo jammerlijk moest missen. Zooals A. Walgrave het laat opmerken vergelijke men slechts de loopbaan van De Bo met die van Gezelle: de eerste had een degelijk leider in principaal Minne; Gezelle midden zijn moeilijkheden, had er hoegenaamd geen in den persoon van den lamzakkigen Frutsaert.

HOOGE WAARDERING VOOR GEZELLE'S EERSTE VERZEN

Bij de eerste uitgave van ''Gedichten, Gezangen en Gebeden'' in 1862, weigert groot-vicaris Faict eerst het imprimatur. Lijk we echter gezegd hebben, kan dit maar toe te wijten zijn aan de overprikkelbaarheid van Mgr. Faict's karakter. Hij wilde hierom verzocht worden door Gezelle zelf en niet door den drukker, lijk het geschied was. In alle geval onderteekent, een drietal dagen na het incident, de groot-vicaris een hoogst waardeerende goedkeuring, waarin hij de hoop uitdrukt ''dat de schrijver zal gelukken in zijne pogingen om niet alleen Vlaamsche, maar Deugd- en Christelijk-Vlaamsche letteren bij ons te doen in eere blijven en bemind zijn''.Verder wenschend ''dat hij moge ook anderen aanmoedigen tot even zoo wel gemeenden als wel lukkenden arbeid''.

Dat een jaar nadien, in 1863, Gezelle zijn ''Kiesgazetje'' uitgaf, zal ook wel onder invloed van het Bisdom gebeurd zijn. In elk geval deed het wonder slagen van Gezelle's blad, dat door zijn volkshumor en scherpe Brugsche zottigheden, den van den toenmaligen afgod van het liberalisme, Paul Devaux, had teweeg gebracht, groot-vicaris Faict, alsdan vicaris-capitularis, besluiten tot een bestendig weekblad dat, onder titel 't Jaer 30, van af juli 1864 onder Gezelle's leiding verscheen. En de Kerkvoogd volgde met genoegen, doch tevens met een waakzaam oog, ten einde Gezelle moeilijkheden te sparen, wat er in het blad verscheen. Zoo, op 6 Februari 1866, terug van zijn ''ad limina'' reis naar Rome, schrijft hem de jonge Bisschop een Latijnschen brief. Waarin hij zegt dat, pas terug, hij alles wat Gezelle in dien tijd geschreven had in zijn beide bladen Rond den Heer en '''t Jaer 30, gaarne had gelezen en ten volle goedkeurt (multumque probo), doch dat er voor ''t Jaer 30 op te letten is, daar er veel aanvallen te rechtstreeks en te openlijk zijn, wat zou kunnen aanleiding geven tot rechterlijke vervolgingen, wat moet vermeden worden. Edoch, voegt hij er tot slot bij, die bemerking is geenszins gedaan om hem tegen te houden, maar wel eerder om hem aan te moedigen, ten einde zonder ophouden den vijand des te scherper als het voorzichtiger gaat te bestoken.

Bekend is Gezelle's gedicht 't Is wonder hoe de Brugsche stad... dat overgenomen werd in ''Liederen, Eergedichten et Reliqua''. Bij gelegenheid van het daar gevierde jubilé bracht de dichter hulde, onder meer aan Mgr. Faict, den grooten raadsman der zusters. Den vicarius-capitularis was het hoogst aangenaam geweest en den zelfden dag nog, stuurt hij een warmen dankbrief in 't Engelsch aan den destijdigen professor aan het Engelsch seminarie ''voor de zeer schoone verzen door u gemaakt, ja ik voelde het''. Dit blijk van genegenheid en waardeering van wege zijn overheid moest Gezelle's gevoelig hart diep raken. Ook kwam reeds op 7 September zijn wederwoord eveneens in het Engelsch. Hartelijk dankend weet hij te melden dat het hem moeilijk zou vallen te zeggen welk genoegen het smaken zijner arme verzen hem verschafte, maar dat ze dubbel duurzaam zullen zijn nu dat ze zoo lieflijk zijn goedgekeurd.

Verder voegt hij erbij: ''Sinds uwe hoogwaardigheid Roeselare heeft verlaten ben ik maar weinig meer gewoon geweest aanmoedigingen te ontvangen van gelijk wie behalve van u en zijne eminentie kardinaal Wiseman...'' Te Roeselare evenals later werd Gezelle dus door Mgr. Faict aangemoedigd. Vijf en twintig jaar nadien heeft Gezelle nog met welbehagen over dit feest geschreven en aan de aanmoediging van zijn Bisschop dankbaar herinnerd.

Hooger vernoemden we reeds het schrijven van 6 Februari 1866. Met dien brief stuurt de kerkvoogd aan den dichter het programma eener zitting der ''Academia poliglotta'' van Rome, samen met zijn portret in aandenken zijner genegenheid (meae que erga te amicitiae tesseram).

ROND DEN HEERD

Reeds hooger hoorden we insgelijks Mgr. Faict waardeerend spreken van ''Rond den Heerd''. Gesterkt wroette Gezelle voort, maar, kon hij gemoedelijk zijn blad vullen tegen de stoffelijke beslommeringen die het medebracht en de geldzaken was hij niet bestand. De boog was te fel gespannen geweest en in 1870 viel Gezelle ziek. Zijn grootste bekommering was ''Rond den Heerd'', maar door de zorgen van Mgr. Wemaer, groot-vicaris van Bisschop Faict , werd het werk opgenomen door vrienden, Duclos en anderen, door Gezelle zelf aangeduid als de beste medewerkers die in zijn geest zouden voortdoen. Enkele maanden te voren, op 8 November 1869, had Mgr. Faict, bij de goedkeuring van Callebert's verhaal ''Jan Onraedt'', geschreven dat het reeds bijval had genoten ''met in het nooit volprezen weekblad Rond den Heerd te verschijnen''. Dit was een zoete balsem voor Gezelle in die bange tijden. Dit gebeurde een viertal dagen voor het vertrek van den Kerkvoogd naar het Vaticaansch concilie. Bij zijn terugkeer, maanden nadien, verneemt hij van Gezelle's groote vrienden in het Bisdom, groot-vicaris Wemaer en de secretarissen Rembry en Duclos, hoe Gezelle ziek is geweest en wat er gedaan werd. Dan geeft hij een openlijke goedkeuring van ''Rond den Heerd'' op 3 December 1870, met de verzekering ''van mijn goedkeuring en van mijn vurigste wenschen om uw verdienstelijk blad meer en meer te zien toenemen en overal in mijn Bisdom verspreiden''. Gezelle drukt jubelend den brief af aan het hoofd van zijn nummer van 10 December en voegt er aan toe dat de beste dankbetuiging van ''Rond den Heerd'' zal wezen: voort te werken in den zelfden geest.

P. ALLOSSERY

Conservator van het Gezellemuseum.