GEZELLIANA

Constant Broos (TM.LC@ping.be)
(Aflevering 6)

Vanaf 1860 had Gezelle al bijdragen geleverd voor het satirische Antwerpse blad Rei-naert de Vos onder de deknaam ASpoker@. Maar de eerste echte journalistieke opdracht gold het politiek getinte >t Jaer 30, dat de strijd zou aanbinden met de Brugse liberalen, duidelijk een bisschoppelijke opdracht, al werd dit niet met zoveel woorden verkondigd. Bij de lezing van zijn wekelijks proza blijkt dat hij inderdaad soms tamelijk strijdlustig was. Misschien wel verwijzend naar de door Hendrik Conscience enkele jaren voordien zo glansrijk beschre-ven Vlaamse Guldensporenslag, schreef hij: ADe penne is immers de goedendag van onze tijd@. Tussen 17 juli 1864 en 12 juni 1870 verscheen het blad wekelijks, eerst op 1000, na enige tijd zelfs op 2000 exemplaren.

De nieuwbakken hoofdredacteur Gezelle wou van bij de aanvang anoniem blijven, maar al heel vlug drukte hij zijn eigen stempel zodanig op het blad, dat het niet erg moeilijk was te raden uit welke hoek het kwam. Er waren vanzelfsprekend politieke bijdragen, die hij echter volgens Mevrouw Christine D=haen waarschijnlijk beschouwde als een wekelijkse penitentie [De wonde in >t hert, Lannoo, Tielt, blz. 309]. Maar er waren ook regelmatig artikelen over land- en tuinbouw, waarvoor hij soms de hulp inriep van zijn deskundige vader Pier-Jan. Verder schreef hij over Vlaamse volksgebruiken, over geschiedenis, over taalkunde, en er was zelfs een heuse brievenrubriek waarin de lezers een antwoord kregen op de vragen die ze aanbrachten. Om een idee te krijgen van wat er allemaal in het blad verscheen, laten we hier een uittreksel volgen dat verscheen in het nummer dat op 18 maart 1865 verscheen.

TAALBEGAAFDHEID

Die begaafd is met eene eigene tale en peist er niet op; wist hij genoeg om slagen te krijgen in eene andere tale, dat zou hij groot achten en gelegentheid zoeken om, bij die min weten als hij, met zijne vreemde sprake voor den dag te komen. Ons eigen goed en kennen wij niet, de vreemdelingen moeten >t ons komen leeren.

Tot bewijs: Daar is nu die Hollandsche hoogleeraar Devries, die een grooten dikken boek gaan maken is, om al de oude vlaamsche woorden uit te leggen, die in oude boeken en schrif-ten te lezen staan. Hij acht dat zijn moeite, en zijn geld, en zijn leven weerd, om:dat zulk of zulk woord bij toeval gedrukt of geschreven bestaat; dat woord spreken wij nog alle dage goed, en wij zijn beschaamd om dat wij geen vreemder woord en weten om in de plaatse te gebruiken.

Wist Mijnheer Devries onze tale! Daar heeft hij, op een stuk perkement van de jaren 1346, vinden staan als volgt: Hugo Van der Does heeft ons getoent als dat ansaankens Willem Brunen zoens erfgenamen hem ongerbruuc doen...

Dat woord ansaankens en weet hij niet! @Alle mogelijke nasporingen, zegt hij, zijn vruchteloos gebleven@.

Is er daar niet op geantwoord?

Ja wel, heel onlangs zelve, door eenen priester uit ons Vlaanderen, die, alhoewel hij den titel niet en voert van hoogleeraar,, den Hollandschen hoogleeraar de volgende lesse van ons vlaamsch geschreven heeft. Ze staat gedrukt, voor die ze lezen wil, in het Brusselsch maandschrift Noord en Zuid, 3de jaar 12ste aflevering, en luidt als volgt:

Dit woord (ansaankens) is van alledaagsch gebruik door gansch Vlaanderen... het betee-kent: gedurig, onophoudelijk, sedert eenigen tijd en tegenwoordig nog, ten minste. M. Profes-sor Debo, want het is van hem dat er sprake is, geeft daar voorbeelden bij, hij zegt dat men in Vlaanderen hoort bij voorbeeld als volgt: de winkelier heeft alsanne veel tegenspoed. Alsans het zelve vertellen. Sparen als ge >t hebt en sparen als ge >t niet en hebt, >t is ossanne sparen. Sedert twee maanden heeft het ansans geregend. Dat kind is ansannekens ziek. Ge moogt zoo alsannetjes hetzelve niet vragen. Vaart hij kwalijk het zal alsans mijn schuld niet zijn. Is het nog geen noen, >t is er alsan-ne niet verre meer af. Dat peerd is assans 400 fr. weerd. Dat huis is alsanne-kens zoo groot als het uwe. Ge moet mij ansannekens eenen keer bezoeken.

Dat kunnen wij altemaal den hoogleeraar Devries betuigen, indien zijn hoogleeraarschap dat begeert, daarbij zegt men te Poperinghe ossan voor altijd, bij voorbeeld: De meulenaare het ossan e witte peluwmutse aan.

Uit dit alles volgt dat vreemde hoogleeraars onze volkswoorden vele opsporingen weerdig achten.

Ten tweeden, dat gemelde hoogleeraar nievers beter opsporingen en zoude kunnen doen als hier, waar de tale, gelijk vele andere goede en schoone zaken, best bewaard is gebleven, en de taalbegaafdheid, de netste, de zuiverste en de prachtigste is.

Ten derde dat de eigenlandsche woordenboek, waar professor Debo, met anderen, al zoo lange aan werkt, een noodzakelijk en allernuttigst werk moet zijn.

Hoe dient het woord gespeld te worden?

In afwachting dat Peereboom, de minister van binnen- en buitenlandsche talen, daar zijn pompieren oordeel over strijkt, schrijven wij alshands voort zoo >t wij van eersten af geschreven hebben, en houden >t voor afkomstig van al=s hands, gelijk nog t=hands, yêl hands,overhands, enz...


TOEGIFT

Leonard Lodewijk DE BO was een Westvlaams dichter, taalgeleerde en priester die net als Gezelle een hevige voorstander was van het Westvlaams taalparticularisme. Ze waren goede vrienden en De Bo publiceerde regelmatig in de tijdschriften Rond den Heerd en later in Loquela. Hij is vooral bekend omwille van het belangrijke door hem samengestelde Westvlaams Idioticon, (1870-1873)