GEZELLIANA

Constant Broos (TM.LC@ping.be)
(Aflevering 7)


GEZELLE IN ZUID-AFRIKA

Het is helemaal niet verwonderlijk dat de poëzie van Gezelle een grote uitstraling kende, zelfs tot in Afrika, het continent dat tegenwoordig om heel diverse redenen zo erg in de belangstelling staat. In het diepe zuiden van dat continent leeft immers het Afrikaans, een taal die gegroeid is uit ons eigen Nederlands. Miljoenen mensen spreken er Afrikaans, maar leven nu - in het nieuwe Zuid-Afrika van na de apartheid - in een taalsituatie die zij graag vergelijken met Adie Toring van Babel. Want in de nieuwe grondwet werden 11 talen erkend als offi-ciële taal, en de Afrikaanssprekenden vrezen dan ook voor een dreigende overheersing van het Engels.

Jan Celliers en Jacob du Toit, twee dichters van de eerste generatie in de Afrikaanse literatuur, maakten rond de eeuwwisseling (1900) kennis met het werk van de Westvlaamse dichter Gezelle. De eerstgenoemde, Jan François Elias CELLIERS (1865-1940) studeerde te Leiden voor landmeter, hij vocht in de tweede Vrijheidsoorlog en verbleef daarna in Zwitser-land en Nederland, waar hij zijn eerste gedichten maakte, die hij in 1908 publiceerde in Die Vlakte en ander Gedichte.

Jacob Daniël du Toit (1877-1953) was gereformeerd theoloog en zoon van de voorman van de eerst Zuidafrikaanse Taalbeweging (1875). Hij schreef oorlogspoëzie, waarin hij nauwelijks zijn verdriet kon onderdrukken om het lijden van zijn volk. Deze zeer godsdienstige man zag in alle levensuitingen een glimp van het goddelijk geheim. Hij had in de dertiger jaren een groot aandeel in de bijbelvertaling in het Afrikaans.

Na de taalstrijd die Zuid-Afrika in vorige eeuw te voeren had, waren deze twee dichters bij de eersten die zich konden bedienen van een volwaardige nieuwe en algemeen aanvaarde schrijftaal, die in het laatste kwart van de negentiende eeuw, vanuit een diep nationaal besef bevochten werd tegen de opdringende verengelsing in het zuidelijk Afrika in die tijd.

De vader van Jacob du Toit stond mee aan de wieg van het Genootskap van Rechte Afrikaanders (1875), de eerste taalbeweging die zich tot doel had gesteld Aom te staan ver ons Taal, ons Nasie en ons Land. De twee dichters leefden dus in een situatie, die tamelijk goed vergelijkbaar is met die van de Vlaamse dichters en schrijvers in de vorige eeuw. Zij moesten toen ook optornen tegen de alsmaar groeiende verfransing die tamelijk agressief gepropageerd werd door de in 1830 opgerichte Belgische staat.

De beide genoemde dichters kwamen dus in contact met het werk van Gezelle en ze schreven alle twee een zeer lezenswaardig gedicht, dat duidelijk geïnspireerd lijkt door de Twee Horsen uit Rijmsnoer.

Jan F.E. Celliers verklaarde zelf in Die Huisgenoot (september 1916): ADie Ossewa het ik in Holland geskrywe, en wel nadat ik vir die eerste keer kenis gemaak het met Gezelle. Die Twee Horsen het my dadelik ingepak. Ik het 'n meester daarin herken, en dit was vir my een van die mooiste dinge van die soort wat ik ooit gesien had.

Er zijn opmerkenswaardige punten van gelijkenis tussen Die Ossewa en Twee Horsen. Celliers gebruikt identiek hetzelfde metrisch schema en hetzelfde rijmschema. En wat de inhoud betreft: we zien dezelfde dieren - stampend en stuivend stappen - gespannen voor de zware wagen die achterna komt. Alleen zijn het in Zuid-Afrika natuurlijk Adie osse, die stille, al stuiwend en stampend voor de ossewa Ahul swaai heen en weer in die stroppe.

Bij Jacob du Toit vinden we ook een duidelijk punt van vergelijking in de laatste strofe van zijn gedicht. ''Die edel jukgediert dat (er is geen genusonderscheid in het Afrikaans!) het historische lot deelt van de trekkende boeren, verwijst - zoals bijna alles bij Gezelle - naar Gods goedheid.''

In verband met het gedicht Die Os van Jacob du Toit, schreef Cornelis G.N. De Vooys (in De Beweging, 1913, blz. 24): Waar du Toit Die Os, de geduldige en onwaardeerbare bondgenoot van de voortrekkers herdenkt, voelt hij Gezelle's vertedering voor het trouwe mooie dier, dat toch ook Gods schepsel is. Wie het naast Die Ossewa van Celliers legt, zal opmerken, dat deze meer door de schoonheid van taal en ritme, du Toit meer door de innigheid van gevoel bij Gezelle getroffen is.


Jan François Elias CELLIERS (1865-1940)

DIE OSSEWA

Die osse stap aan deur die stowwe,
geduldig, gedienstig, gedwee;
die jukke, al drukkend hun skowwe -
hul dra dit getroos en tevree.

En stille, al stuiwend en stampend,
kom stadig die wa agterna -
die dowwe rooi stowwe, al dampend,
tersy op die windjie gedra.

Die middagson brand op die koppe,
gebuk in hul beurende krag;
hul swaai heen en weer in die stroppe -
en ver is die tog van die dag.

Dit kraak deur die brekende brokke:
die opdraans is ver en is swaar;
die knars in die knakkende knokke,
maar hul beur, en die vrag bring hul daar.

So, stom tot die stond van hul sterwe,
blyf ieder 'n held van die daad...
Hul bene, na swoeë en swerwe,
lê ver op die velde verlaat.

Uit: Die Vlakte, 1908

Toelichting:

beur = zich omhoog tillen opdraans (ook opdraand) = steil, moeilijk


Jacob Daniël du Toit (1877-1953)

D I E O S

Hoe rustig stap hy aan
die edel jukgediert!
hoe waggel hy die kop
met horings swaar gesierd,
en stewig ingestrop!

Hoe rustig stap hy aan
so sonder tuiggetooi,
met natte dowwe plof;
syn vel trek plooi op plooi
rondom die breë skof.

So stap hy rustig aan
vol kalme majesteit
en ongesmukte prag -
beeld van stilswyendheid
én selfbewuste krag.

Steeds stap hy rustig aan
met rustelose drang,
by kou en sonnegloed;
maar snags versnel syn gang
om dagversuim te boet.

Nog stap hy rustig aan
als dage kommervol
doen bleek en krul syn gras;
hy skeer die hardste pol
en suip die modderplas.

Stap, stap dan rustig aan
en deel die trekkerslot;
die skaarste en owervloed,
daar in die land, waar God
ook is vir osse goed!

Uit: Verse van Potgieters Trek, 1909

Toelichting: pol = zode, grasveld