GEZELLIANA

Constant Broos (TM.LC@ping.be)
(Aflevering 8)

In september 1881 ontving hoofdredacteur Guido Gezelle een brief van een lezer van zijn blad Loquela. De briefschrijver, die zijn brief ondertekende met "Agricola", vertelde dat hij in zijn jeugd wel had leren schrijven, maar dat hij als Vlaming vooral zijn eigen moedertaal - het Westvlaamsch - wou schrijven. En wat hij speciaal van de mijnheer van Loquela wilde weten was, hoe hij "boereverzekens" kon leren maken. Gezelle antwoordde hem in dezer voege.

* * * * *

    Mijn achtbare Heer Agricola,

    Daar zijnder, ongelukkiglijk, veel meer die durven verzen maken als die kunnen, late staan van dichten, dat nog een geheel ander paar mouwen is.

    Nu, aangezien ge daarop verlekkerd en verliefd zijt,

    Om nu en dan,
    mijn brave man,
    een reke of twee, op rijmen,
    met zin
    daarin,
    en klank
    en zang
    in t Vlaamsch, aaneen te lijmen,

    zoo begeeft u bij t volk en horkt [= luistert] het af. Het waar volk van Vlanderen rijmt en dicht, ja, dicht geheele dagen.

    Noch tale noch teeken,

    bij voorbeeld, is gerijmd van t volk: ta, van tale, en tee, van teeken, dat zijn twee rijmen, voorslaande of stafrijmende rijmen. Zoekt nu zelve ne keer of

    Ziek en zuchtig

    ook geen stafrijmend vers van t volk en is, en horkt of gij geene andere zulke stalen tegen en komt.

    Wilt gij ze opteekenen, onthier en eene weke zult gij al eenen schoonen voorraad hebben, om na te maken, en zoo gij wilt, mij op te zenden. Ik hechte immers hoogen prijs aan die eenvoudige volksposis, die echter is en hooger strekt in t verledene van onze vlaamsche tale als al t gene naderhand den name draagt of gedregen heeft van rijm- of dichtgedaante.

    Gij zult ook spreuken hooren die anderszins rijmen en klinken als de bovenstaande, bij voorbeeld:

    In nen haai
    en nen draai

    hoort men dikwijls.

    De oude raadsels rijmen meest altijd, en op alderlei wijze, hoe ouder hoe prachtiger, spijts al de banden en de regels van sommigen, die, verkeerd genoeg, peizen dat de wetten van de vlaamsche rijm- en dichtkonste eerst gesnekkerd [= gesneden] moeten zijn, gelijk leesten, en de rijmen en de dichten achternaar daarop en daaraan geschoeid, gerokken en gespannen.

    Vindt de wetten maar en maakt ze niet, noch en aanveerdt geene andere als die gevonden en, met veel zorge, waar genomen zijn, dan zult gij eens op het eigen speur geraken om ook te rijmen en ja zelfs te dichten.

    Ik groete u, Agricola, en blijve ulieden

Loquela.


  • Uit: Loquela, VI, nr 40, 1 oktober 1881, blz. 2-3.