GEZELLIANA

Constant Broos (TM.LC@ping.be)
(Aflevering 1)

Sinds hij in de tweede helft van de 19e eeuw zijn gedichten schreef, is de priester-dichter Guido Gezelle eigenlijk nooit echt weg geweest van het literaire forum. Zijn poëtisch oeuvre werd na zijn dood herhaaldelijk heruitgegeven. Dit wijst erop dat zijn werk al die tijd ook gelezen en bestudeerd werd. En nog niet zo lang geleden bezorgde Jozef Boets, in samenwerking met het Centrum voor Gezellestudie bij de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen, een nieuwe editie in 8 delen (1980-1991), uitgegeven door DNB-Pelckmans.

Naast de elkaar opvolgende uitgaven van het corpus Gezelliana, staan een reeks oude en nieuwe bloemlezingen ter beschikking. Zo komt het dat veel mensen enkele versregels van de meester in hun geheugen hebben, die ze toevallig ergens opvingen of in hun schooltijd van buiten moesten leren. Gezelle's gedichten blijven tot op heden ongetwijfeld hun poëtische charme uitstralen voor de liefhebber van poëzie, ook al zijn de gegadigden daarvoor misschien niet zo talrijk.

Bij het herlezen van zijn gedichten is er telkens wel weer iets nieuws te ontdekken. Doorheen de spontane en nogal oorspronkelijke verwoording van de Westvlaamse eigenwijze taalparticularist blijft een tintelende schoonheid en klankrijkdom nazinderen. Hij tovert met de taal, die in zijn tijd het middel bij uitstek was om de bewustwording van het Vlaamse volk aan te wakkeren, want sinds het midden van de 18e eeuw leefde dit gewest onder zware druk van de verfransing.

Het lezen van poëzie zal wel altijd iets blijven voor een tamelijk beperkt publiek van fijnproevers, al is er nu de uitdaging van de electronische audio-apparatuur om het woord van de dichter ook te beluisteren. Een vaardige declamator zou stukken van Gezelle kunnen voordragen, die dan langs deze weg beluisterd kunnen worden!


Uit sommige gedichten van Gezelle blijkt dat hij een heel eigen visie op zijn dichterschap had. Dichten was zijn leven: het was alsof hij bezeten was door een drang waaraan hij niet kon weerstaan. "Het moet eruit en zeggen ga 'k het woord van mijn gedachten". Niemand zou hem beletten zijn mening eerlijk uit te spreken.

Het moet eruit
en zeggen ga 'k
het woord van mijn gedachten
dat niemand mij
ontweren zal
verdwingen noch verkrachten.

Voortdurend loopt de dichter met allerlei ideeën en plannen rond om over van alles en nog wat te dichten. "Ik bender zo dikwijls na bij... nipte genoeg", maar "men doet ook niet al dat men wilt met de woorden". De perfectionist weet maar al te goed dat het niet zo eenvoudig is om juist onder woorden te brengen wat er in hem omgaat.

Ik bender zo dikwijls na bij,
ja, de boorden
genakende, nipte genoeg,
van het beeld,
dat, seffens ontvlogen,
een poetse mij speelt! -
Men doet ook niet al dat men wilt
met de woorden!

Menig rijm suddert soms jarenlang in rudimentaire vorm in zijn geest, wachtend op het gezegend ogenblik waarop hij het kan neerschrijven. "Zoo ligt menig rijm onvast in mij, en beidt (wacht op) den aangenamen tijd van volle uitspreekbaarheid". Als de inspiratie weer vaardig wordt over de altijd voort zwoegende dichter, dan zullen de ideeën vorm krijgen: "de botte in 't hout beidt den dag... de barensveerdigheid". De dichtersgeest is voortdurend zwanger van talrijke in hem broeiende poëtische vruchten die op de gepaste tijd tot leven zullen komen.

Ten halven afgewrocht,
ontvangen, niet geboren;
gevonden algeheel,
noch algeheel verloren,
zoo ligt er menig rijm
onvast in mij, en beidt
den aangenamen tijd
van volle uitspreekbaarheid.

Zoo slaapt de botte in 't hout,
verdonkerd en verdoken;
geen blomme en is er ooit,
geen blad eruit gebroken;
maar blad en blomme en al
het ligt erin, en beidt
den dag, den dageraad...
de barensveerdigheid.

Deze bezigheid heeft vaak een troostende en louterende invloed op zijn leven. Het helpt hem doorheen de moeilijke ogenblikken: zijn dichten werkt dan als een helend geneesmiddel en zal "de wonde in 't hert vermaken".

o Lied,
gij helpt de smert
wanneer de rampen raken,
gij kunt, o Lied de wonde in 't hert,
de wonde in 't hert vermaken!

Maar niet altijd, want soms kan hij maar beter "van te dichten zwichten" en niet toegeven aan de schrijfdrang.

'k Zal mij van te dichten zwichten,
zoo 't mijn hert niet wel en gaat:
wie kan rijpe bezen lezen
van een tak die drooge staat?

Naar het einde van zijn leven toe schreef hij zijn poëtisch testament, waarin hij de lezer voorspelde dat de bron op een dag onherroepelijk droog zou vallen. Gij allen, die mij tot hiertoe goedgunstig het oor geleend hebt om te luisteren naar mijn talloze taalfantasieën, "naar 't gene ik, verzierend heb gedicht", gij moet weten: "hier endt het spel". Ik vertrouw u toe aan Gods "goedjonstigheden" en zeg u allen vaarwel!

Gij die meekwaamt
tot den hierent,
horkend 't gene
ik, verzierend,
heb gedicht, hier
endt het spel.
Godevolen
vaart al wel!


[Naar aflevering 2]