ALS GE NAAR HET KOOREN LUISTERT

Als ge naar het kooren luistert,
     dat nu op- nu nedergaat;
daar een' zwepe wind in snuistert,
     dat de lieve zonne baadt;

neen, ‘t en kan geen' snare talen,
     die zoo zoete om hooren is
als ‘t gerep der roggestalen,
     als ‘t geroer van ‘t kooren is.

‘t Vaart een fijn gelispeld leven
     deur de toppen, altemaal;
daar de diepere stammen beven,
     deunende als een' dondertaal.

Hel en duister, lijze en luide,
     mingelmangelt in de lucht
‘t ruischen van de groengekruide,
     grauwgetopte koorenvrucht.

Drijft dan maar, gij dunne staven,
     die den landman ‘t leven wint;
laat de zonne uw' lenden laven
     zoetjes, en de zomerwind!

Hei, daar valt er volk te peerde,
     losgetoomd, in ‘t veie groen;
donker diept het neêr naar de eerde,
     zoo in zee de schepen doen.

Volgende elk den andere, varen
     ze, elk gevolgd, in ‘t volle veld;
‘t zonnelicht beglanst de baren
     van dit rennend rosgeweld.

Schielijk, in de lucht ontkomen,
     zijn de ridderen weg: ‘t en speelt
niets meer in de vrije vromen,
     dat de zware zee verbeeldt.

Stille is ‘t nu: de zonne vonkelt
     deur de wolken, blij en blank;
milde lacht het al en monkelt,
     in en om mij, lief en lang.

Ach! ‘k En gave om al het schoone,
     dat de heldere zonne ziet,
- Vlanderen, Vlanderen spant de kroone, -
     neen-ik, nog mijn Vlanderen niet!


Guido Gezelle
(20/5/1893)


Toelichting

‘t en kan geen' snare talen = geen snaar kan er ruisen
‘t gerep der roggestalen = het gelispel van de roggestengels
deunende = dreunend
lijze = zacht
mingelmangelt = vermengt zich
losgetoomd = de tomen los
veie = welige


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster