De kriekroode zunne

De kriekroode zunne
zinkt zachtjes in t nest,
dat God heur gebouwd heeft,
in t avondgewest,

van balken en boomen
en banken, zat blauw;
van doomen en dampen
en dompen, peersch grauw.

Daar zinkt ze, gestadig
al schranken, naartoe;
daar gaat ze, de zunne
gaan slapen: ze is moe.

Heure oogen, die laaiden
met zoo veel geweld,
zijn dood van den vaak nu,
en nedergeveld.

Heur haar is gewompeld;
heur' kroone en heur staf,
heur' beste juweelen
zijn altemaal af.

Zij nadert zoo nipte,
dat t niemand en ziet:
ze schuift de gordijne, en...
ze ligt in heur sliet.

De nacht komt ze dekken
en duffelen
,... en zet
het maantje, om te waken,
rechtover heur bed.

Goên avond, o zonne;
goên nacht: uw gestraal,
God zegene en beware t,
en ons altemaal!


Guido Gezelle
(1888-1889?)


Toelichting

zunne: zon
van: met
peersch: paars
al schranken(d): schuin uitwijkend
nipte: tot de uiterste boord
dekken en duffelen: toedekken en induffelen
Ingezonden door Constant Broos
HTML: Marc van Oostendorp, voor het Project Laurens Jz. Coster