A K S T E R N E S T E N        

Nog ijdel staan de boomen, in
     de blauwe lucht, en blâren
en zie k ze hebben meer, als of
     ze dood en duister waren
voor goed nu. Lang is alles zwart
     en zonder zap gebleven,
dat wijleneer zoo groene stond
     in t zoete zomerleven.
t Is zwart nu al, tot boven in
     de hooge abeelensprangen,
daar zwarte en zware bonken in
     van aksternesten hangen.
t Zijn teekens in de lucht, en wel
     bekende hemelbaken,
dat wederom de zonne zit
     aan t lieve zomermaken.
Toch bladerloos is al t geboomte
     en, verre heen, in t westen,
in t noorden, t zuiden, t oosten zie ik
     alom vol aksternesten
de abeelen staan. - Verdappert uw
     bezoek en wilt de bronne
des aksterlevens duiken al
     in t groen, o lieve zonne!

Moscroen, 27/4/1898


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster