H A L F   A P R I L       

Gij blauwgekaakte wolken daar,
     halfwit, omtrent uw' boorden,
die gruwzaam in den hemel moêrt,
     en grimt in t gramme noorden:
hoe lange speelt gij, koud en kil,
     den baas nog hier? t Is half April!

t Is onbermhertig koud; en t kan,
     de zonne ondanks, gebeuren,
dat, s morgens, al dat gers is, wit
     geruwrijmd, staat te treuren!
Waar wilt gij, boos geweld, naartoe,
     des winters? Wij zijn wintermoe!

t Moet zomer zijn, geen koude lucht,
     die bijt en straalt; t moet open,
dat, wachtende, in de botte zit
     of weêr in t gers gekropen,
van schuchterheid, voor t nijpen van
     den hardgevuisten winterman!

Staat op, gij oostersch zonnelicht,
     en schiet, bij volle grepen,
uw' schichten uit; doorkwetst, doorlijdt
     het graf, daarin, genepen,
de zomer zat: verrijzenist
     des konings kind! Te late al is t!

Hallelu-jah! dan zingen zal,
     dat t wederklinkt alomme,
den gorgel los, de vogel en
     de luidgekeelde blomme;
de klepel zal de klokke slaan
     en kondigen den Koning aan.

12/4/1897


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster