BIGNONIA  CATALPA  L.            

t Heeft fel gezomerzijpt, en, water gieten,
     onthier een amerij, deed t immer aan;
nu zijn de scherpgepinde zonnesprieten,
     na lang geweld, de wolken doorgegaan:
t geluchte is los, in tween zijn al de banden,
     die lijndoek om geheel den hemel spanden.

Hoe helder blinkt het blanke wiel, dat even
     onzichtbaar, zichtbaar nu, en bloot, alom
geworden, geuten giet van licht en leven
     in t blauwe van den blauwen hemelkom!
t Slaan bliksems in de lucht, en louter sprangen
     van reinboogverwe omtrent de boomen hangen.

De wind is opgestaan; hij schudt de blâren
     dat t perels overal aan t leken gaat;
in t groen catalpaloof hij, heengevaren,
     de schaduwe en de takken openslaat
daaronder ik nu zitte en asem hale,
     nu zuchte, in de al te heete zonnestrale.

Het voor- en t nagetij elkaar genaken,
     midbâmesse en midlente is t, almedeen;
op ieder lapken loofs er blommen blaken,
     aan ieder taksken hangt er edelsteen,
dat, geluw, groen en rood en blauw, van boomen
     vol bleuzende appels doet, en peren, droomen.

Een wonderlijk aanschouwen! Hoe t gelooven,
     schoon nauwe ik zitte en zie, dat t anders niet
als lekend loof en is, en scherpe schooven
     van stralen, die daarin de zonne schiet:
t is alles even vrij, van verwe en voege,
     of Adams paradijs weêr opensloege.

Dat menigmaal mij worde een' wonne als deze
     geschonken, onder u, Catalpa schoon;
de hand die u daar zette 'et welzijn weze
     gegeven van Gods ongekenden loon!
En zie k u zelden weêr, in later tijden,
     uw zijden zeildoek zal een ander blijden.

19/8/1897


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster