C I N X E N     

     t Is stille, Cinxendag en, over t plekske vloers,
van waar ik henenzie en schouwen kan, daarboven,
     de hemelsblauwe lucht, en hoor ik niemendal,
          t en zij, voorbij geschoven,
     een langzaam bellen, dat, herhalende, eens en nog
zegt: "komt te kerkewaard, met mij den Heere loven!"

     t Is stille, en kerkewaard vervoere ik mijn gedacht,
vervoere ik heel en al mijn innewaardste wezen,
     tot voor uw voeten, God, die uit het duister graf
          zijt heerlijk opgerezen;
     die in uw kerke rust en daar, in t hooge blauw,
terwijl het klokske luidt, mij uwen naam laat lezen.

     o Groote kerke Gods, o hemelwelven, daar
het minste mensch van al, bij nachten of bij dagen,
     u in de sterren kan aanschouwen, groote God,
          zoo ver zijne oogen dragen,
     en in de blauwe locht des hemels!... kerke Gods,
gewijde kerke, wie zal u te schenden wagen?

Kortrijk, 29/5/1898


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster