C Y T I S U S   L A B U R N U M        

Gevlerikt, na der vliegen aard;
     gereesemd, al omleegewaard;
eenvervig, en van goude fijn,
     des goudenregens blommen zijn.

Zij staan in krabben, lang en smal
     van lijve; en recht een regenval
gelijken zij, van goude, ... neen,
     van zijde en licht en edelsteen.

t En is van al dat bloeit entwat
     zoo geluw, in geen blommenstad;
t is geluw, naast aan t groen,... t en doet,
     t is groen, ten geel'wen uitgezoet.

Als, ievers in den hof gestaan,
     de goudenregens opengaan,
de duisterheid van t groen verdwijnt,
     "het regent en de zunne schijnt."

Hoe jammer, dat zoo gauw voorbij
     uw' vlagen gaan van goude, en gij,
o gulden regen, al te broos
     van leven zijt ge, en tijdeloos!

Gij strooit den weg, nen dag nadien,
     of twee, dat wij u open zien:
zoo derf is dan uw dood gelaat,
     als kaf, daarop den vlegel slaat!

En, eens dat eene aan t vallen is,
     de stervenstijd van allen is
gekommen: geen een blomme en kan t
     meer houden: t goud is uitgebrand.

O goudenregen, heel en al
     het jaar, zoo heet gij regenval;
doch regenval van goude, aleer
     het meien zal, en zijt gij meer.

k Verlange al, eer de maand daar is
     weêromme, en tend de hoven, frisch,
vol goudeware en zonneschijn
     geregend door uw' blommen zijn.

24/5/1897


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster