D E   D A G E R A A D   

In t blauwe van den hemel doekt
    een kleene, witte wolke
        de zonne mij;
en t witte van die wolke en komt
    geen vlekkelooze molke,
        geen wolle bij;

geen witgewasschen wolle, noch
    geen snee', die, versch gevallen,
        te gronde ligt;
zoo wit is, op de boorden van
    die witte wolke, t brallen
        van t zonnelicht.

k En kan t niet meer bezien bijkans,
    mijne oogen willen dolen:
        t is vermiljoen,
dat, zwart in mijnen boek gedrukt,
    zoo zwart is als de kolen,
        en t rood is groen.

De Leye, die daar stille ligt,
    het water in de beken
        is rood voortaan;
terwijl, van top tot tee'n, mij als
    van t morgenrood ontsteken
        de boomen staan.

Het schemert hooge en leege nu,
    en, diepe in s hemels gronden,
        vandage staat,
beneên dien witten zonnedoek,
    in s middags hooge stonden,
        de dageraad.

Kortrijk, 8-9/3/1898


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster