H E B T   M E E L I J E N    

Hebt meêlijen met de boomen, laat
     den bast hun ongeschonden;
bewaart ze voor de nijdigheid
     der kwade nagelwonden;
geen onbermhertig menschenkind
     ze dood en kwelle: geeft
de vrijheid aan des Scheppers hand,
     die in hun lenden leeft.

Hoe schandelijk ontmaakselt en
     ontmooit gij mij de vrome,
de vrije en blije boomen, die k
     zoo geren tegenkome
omtrent uw huis en hof, o gij,
     dien God met herte en oog
heeft toegerust, om Hem te zien
     in t heerlijk boomvertoog.

k Zie halfverroeste pikken, moê
     van kappen en van kerven,
gehamerd om den esschenboom,
     den esschenboom bederven,
daaraan het hekken vastgehaakt
     de bilken sluit, en t vee
belemmert, dat zijn vulte zoekt,
     en voedsel, in de wee.

k Zie boomen, die gebonden staan,
     in s dwingers booze handen,
die nooit geen duimbreed af en laat
     zijne ijzervaste banden,
maar, spannende en onroerbaar, al
     dat leeft en roert in t lijf
der boomen doet misdragen tot
     een eerloos wanbeklijf.

Gebulte boomen zie k, en die,
     doorhakkeld en dooreten,
vol krammen en vol haken staan
     gespijkerd en gesmeten;
die werken, zoo Gods wet hun wijst,
     die tranen en die bloên,
o mensche, om eenmaal vrij te zijn
     van al uw dertel doen.

Of staan ze meer niet vast genoeg,
     de wortelvaste boomen?
en vreest gij dat ze henen-gaan
     en meê met t water stroomen;
of vliegen in de lucht, omdat
     gij scherpe draden spint,
en lange reken boomen al
     in snijdend garen windt?

Och arme, en is t genoeg u niet,
     dat, schier nog ongeboren,
het hout alreê geknipt moet zijn,
     geschonden en geschoren,
dat t, galoos en tot alles dat
     het niet en is gepraamd,
wordt "gloriette" en "pyramide",
     en "espalier" genaamd?

Hebt meêlijen met de boomen, laat
     hun' schoonheid ongeschonden,
die schoonder is, onaangeroerd,
     onvast en ongebonden,
zoo God ze liet gewassen zijn,
     gewonnen en gebaard,
als al hetgene gij, o mensch,
     verzint en hebt vergaard.

Kortrijk, 1/11/1897


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster