M U S S C H E N             

De musschen, weêral, vrij en vrank,
     vergâren, en verzinnen
hoe nog eens, naar den ouden gang,
     de lente gaat beginnen.

t En vriest niet meer, t en sneeuwt niet meer,
     t en vliegen meer geen' vlagen;
t wordt dageraad in t oosten eer,
     en langer zijn de dagen.

De zonne, - n wordt, in t zonnelicht,
     de weide nog niet wakker, -
goêmorgent, met heur mooi gezicht,
     den moedermilden akker.

t Zit ander verwe in t hout, voortaan;
     de botgebolde boomen
niet langer meer zoo drooge en staan
     te druilen en te droomen.

Daar gaat entwat gebeuren; t is
     geband en baar geworden,
dat Leven en Verrijzenis
     zijn t graf weêr uitgetorden.

De musschen hebben nieuws ervan
     vernomen, en ze vliegen
t vermonden: geld noch goed en kan
     dat musschenvolk bedriegen.

Zoo, weêral zijn ze, vrij en vrank,
     de haantjes en de hinnen,
aan t rinkevinken, luide en lang:
     De lente gaat beginnen.

Kortrijk, 11-12/2/1898


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster