W I J   N A D E R E N     

Hoe komt het, dat de lucht,
     zoo hel, geleên
twee stonden amper, nu
     vol duisterheên,
vol donkerte is? Hoe komt t
     dat t gers, zoo net
een' schreê te ruggewaard,
     is al besmet
met onraad nu? Hoe ligt
     alomme hier
gebroken handalaam
     en drukpapier?
De zonne is blindgedoekt;
     en rookgeweld,
dat bitter is van bete,
     omhoogesnelt,
of doolt de wegen langs,
     en stinkt! Wat is t
dat t overal, omtrent
     mij, goort en gist,
en geil is nu? Dat zacht
     en zoete om gaan
en zijn de paden meer?
     Dat t steen voortaan,
dat t tanden ongetemd,
     dat t schorren scherp,
dat t kale keien zijn,
     die k ommewerp?
Waar ben ik, meldt het mij:
     verdoold in schijn?
- Wij naderen t gebied,
     daar menschen zijn!

16/2/1897


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster