N E V E L D U I S T E R N I S     

Gegrauwdoekt is de grond
der kimme en, allenthenen,
vol damp en duisternis;
de boomen, half verdwenen
     half zichtbaar, hebben, daar
     ze stille staan en stom,
     van wolkenweefsel elk
     een grauwen tabbaard om.

t Hoogmorgent en, zoo t schijnt,
t en wilt geen dag meer dagen:
daar moet iets ongesteld
of los zijn aan den wagen
     der zonnehingsten, dat
     ze in toom gehouden staan
     en, immer nippend, nooit
     een schreê vooruit en gaan.

De wereld mist den troost
dier zoete zonnestralen,
die alles leven doen,
daar ooit zij nederdalen;
     die t schoone schoon doen en
     die t goede goed doen zijn:
     die God verbeelden in
     Gods beeld, den zonneschijn.

De wereld mist dat nu:
ze treurt en, langs de lanen,
daar t eenmaal blommen droop,
en druipen nu maar tranen;
     daar k eenmaal stemmen hoorde
     en vogelzang, en ziet
     mijne ooge onschoonheid maar
     en sprakeloos verdriet.

Dat t schaduw nu nog ware
en wolken, daar de winden,
zoo in een schapentrop
de honden, weg in vinden,
     en bleve een plekske vrij,
     dat blauw is, hier of daar!
     Och, neen, t is nevel, al
     omtrent me, en nevel maar.

o Nevelduisternis,
bij nachte zien mijne oogen
de duizend teekens nog,
die t ommegaan vertoogen
     des sterrenhemels! Gij,
     o nevelduisternis,
     en toogt mij niets van al,
     daar hope of troost in is!

t Is meer als leed genoeg,
en droefheid in mij, zonder
uw droef afwezig zijn,
o t weergalooste wonder
     van al dat wonder is
     in s werelds heerlijkheid!
     o Zonne, en zij mij nooit
     te lange uw licht ontzeid!

Kortrijk, 17/3/1898


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster