P L A T A N U S   O R I E N T A L I S   L.

Alhier, aldaar, wijd uit, wijd om,
     wijd afgevallen blaren
bezabberen mij t wandelpad,
     alsof het vagen waren
van verwers handen, geelwe en groen,
die t grauw der aarde blinken doen.

Een zure wind is opgestaan,
     die t schoone der platanen,
zijns ondanks, al te langen tijd
     zag schaduwen de banen
van t zomerhof. t Is winter haast
en t oud, afjunstig noorden blaast.

Die zatgezopen, zooveel tijd,
     aan t zalig zonneleven,
daar stonden, ei! zoo roekeloos
     en t hoofd omhooggeheven,
gevallen zie k nu, los en loom,
beneden de plataneboom.

Zoo valt, die op de winden schreed,
     ééns bliksemens, doorschoten,
de vogel, bei zijn slagers af
     en langzaam neêrgevloten,
in t zand des wegs: met borst en klauw
vergeefs gewend naar t hemelsblauw.

Plataneboomen, t deert mij, dat
     ik, wandelende, t zoete
geweefsel van uw schaduwkleed,
     in t stof betreden moete;
dat eens zijn bergzaam loverdak
mij bood, wanneer de zonne stak.

Dat eens mij zoete zangen zong,
     wanneer, te lossen toome,
de bolle wind zijn' sprongen sprong
     en liep van boom te boome;
al zuchtende ... o, zoo schoon en kweelt
geen vinder, die de harpe speelt.

Dat eens!... Maar nu is t veeg en t valt
     in t graf: de winden loeien
zijn lijkgezang! Platanenloof
     te zommer zal t hergroeien
en wederom den zonnenschijn
mij zichtend voor de voeten zijn.

Kortrijk, 20/11/1898


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster