S E R E N U M   E R I T    

Al rood is t, dat ik zie:
n ovenvier heel t westen,
daarin de zonne zonk
en s werelds oude vesten
     in gloeien zette. Laai
     noch glans en is er: niet
     als enkel rood en, deur
     de losse wolken, iet
dat eer aan bloed gelijkt,
of aan onmeetbaarheden
van omgehouwen stier-
en huidlooze ossenleden,
     die, drijvende overal,
     met vil- en slachthuisvee,
     de diepten vullen van
     de westerwereldzee.
De zwarte hagen staan
vol oogen, als van dieren
en ongedaanten, die
hun' roode blikken stieren
     te mijwaard, daar ik sta,
     van hoofde tot den voet,
     bespeit, ik zelve, en diepe
     in t schijnbaar zonnenbloed.
Hoe zal 't te morgen gaan:
zal t regenen, zal t ruischen;
gebouwen af- en al
dat boom is ommebuischen?
     Zal t hagelslaan? In al
     dat hemelsch bloedgeweld,
     is ons de jongste dag
     des werelds voorgespeld?
Toch neen-hij! Morgen zal,
ten oosten uitgeklommen,
een nieuwe dageraad,
een nieuwe zonne kommen
     de menschen, blank en blij,
     begroeten, die nu staan
     en, rood van aangezicht,
     den avond gadeslaan.

Kortrijk, 28/10/1894 en 27/10/1897


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster