S P R E E U W E N            

"k Zie-'t!" zoo vliggert, vlug te vlerke,
recht den torre in van de kerke,
     daar ze is nest aan t bouwen!... "k zie-'t!"
     Piept de spreeuwe, en anders niet.

Maar wat is mij, scherpgebekte,
zwart-halfgroen, gevliggervlerkte,
     vage vogel, dan t bedied
     van uw eeuwig zeggen: "k zie-'t!"

Ziet gij, daar omhoog aan t broeden,
ziet ge, aan t blijde jongskes voeden,
     in uw piepende oogskes, iet
     dat elk mensche niet en ziet?

Zegt, of is t de zonne rijzen,
dat gij ziet, is t buien bijzen;
     kwade wichten of kwâ died
     zitten ievers, diepe in t riet?

"k Zie-'t!" zoo piept gij; ziet gij, binnen
deze borst, mij iet beminnen,
     haten, willen, wenschen iet,
     blijdschap hebben en verdriet?

"k Zie-'t!" uw roepwoord doet mij delven
diepe in t diepste diep mijns zelven,
     en ontdekken daar t bedied
     van uw eeuwig zeggen "k zie-'t!"

Een daar is, die aan de leeuwen
t leven gaf, en aan de spreeuwen,
     een die, vrij van al t verdriet,
     hooge zit en verre ziet.

Een... Hij zit in zijnen torre,
zonder schaaltje en zonder schorre;
     en, van t gene in mij geschiedt,
     Hij mag eeuwig zeggen: "k zie-'t!"

30/4/1897


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster