T W I J F E L Z O N N I G        

Maar twijfelzonnig lente en is t,
     de wind en wilt niet zoeten;
t geboren loof zijn moeder mist
     en wachten zal t mij moeten,
zoo lange er buien boven slaan,
om schielijk weêr zijn gang te gaan.

Zijn gang te gaan, in weide en bosch,
     in heesters en in hoven,
begeert het, alle boeien los
     en alle buien boven;
dan zal het al vol zonne zijn,
vol wellust en vol wonne zijn.

Vol wonne zijn mijn herte zal,
     herlachen en herleven;
voor winden noch voor ongeval
     van bange buien beven.
Och lente, weest mij willekom
en werkt uw edel werk weêrom!

Uw edel werk zoo wille ik dan
     een liedeken vereeren,
daar 't vogelvolk niet aan en kan,
     en zingen t, duizend keeren;
maar, al zoo lang t uw wonne mist,
mijn herte, twijfelzonnig is t!

18/4/1897


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster