"V A D E R   O V E R L E D E N"      

o Al te kwade boodschapper,
die, bitsig als een horselbie;
die, stekende als een degenstoot;
die, snel gelijk den bliksemslag;
die, stom en doof, noodzakelijk,
te mijwaard op de snaren komt
gevlogen van den teekendraad!
Te gauwe, och armen, vindt ge mij
en biedt gij, in uw bitsigheid,
de boodschap, - en geen troost daartoe! -
dat "vader overleden" is!
Ge'n zegt niet hoe hij, vroomgezind,
zijn kruise en zijne ellenden droeg;
ge'n zegt niet, echt en recht, hoe hij
onwankelbaar geloovig en
betrouwende in Gods goedheid was;
ge'n zegt niet hoe, beneên den bast
van buitenwaardsche onteederheid,
hij teêrheid in zijn herte borg;
ge'n zegt niet hoe, van s morgens vroeg
tot s avonds, hij was werkzaam, hoe
t gevaar hij niet en minde, niet
en vreesde, daar t de plicht beval;
ge'n zegt niet hoe nauwkeuriglijk
hij omzag, daar te zorgen viel
voor kinderlijke onschuldigheid;
ge'n zegt niet hoe noch wat hij was,
voor God en voor de menschen: gij
en steekt me... en gij en stoot me maar
door t herte, dat hij henen is,
mijn broeder! Van geen zielenruste
en rept gij! - Och, hoe herteloos
doorslaat mij nu die bliksemslag
en biedt hij me, in zijn bitsigheid,
de boodschap, - en geen troost daartoe! -
dat "vader overleden" is! -
Zijn ziele God genadig zij!
o Al te kwade boodschapper!

Kortijk, 1/1/1899


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster