H E T   G U L D E N   V L I E S     

t Is scherenstijd in t houtgewas.
De blâren vallen: grond en gras
zijn effen, van den wind, die waait,
vol zilver en vol goud gezaaid.

Zoo groene en is de grond nu meer
als wijlen, toen de lente teer,
en t jonge jaar zijn herte ontlook,
de weiden en de bosschen ook.

t Is scherenstijd. De schapen niet
maar t houtgewas men scheren ziet;
en t scherpe van de windenschaar
aan t knippen is in t houtgeblaâr.

Daar vallen en vergaderen
nu honderduizend bladeren,
die reuzen af de rijzekens,
zoo lustig en zoo lijzekens.

t Is t boomenvlies dat nederstort,
dat altemaal gesneden wordt;
dat af en door de schare moet,
zoo t al, en te elken jare doet.

Het gulden vlies, dat Jason zocht,
en reeuwroofde op het wangedrocht,
aanschouwe ik al mijn leven lang,
als wangeloove en kwenenzang.

Maar t geen alhier, aldaar gestrooid,
den weg dien ik nu ga vermooit,
dat menigvuldig boomverlies,
voorwaar dat is mij t gulden vlies.

Het blinkt, het bleust, het laait, het ligt
doorschoten van den zonneschicht,
onmeetbaar, verre, n schapendracht
van ooienwolle en lammervacht.

Een kleed is t, als van engelkens,
van louter liefdebengelkens,
die zijde en wolle en gouden blaân
doen liggen, daar ze spelen gaan.

Het rilt, bij elker schreê, die k doe;
het roert en t ruischt, k en weet niet hoe;
en t riekt, alsof er reuke fijn
van amber uit zou dampend zijn.

t Is scherenstijd, in t houtgewas;
geen stap mij ooit zoo zoete en was
als dien ik eens, in Ipersteê,
deur de afgevallen blâren deê!

Kortrijk, 26/10/1897


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster