W I N D T O C H T         

t Is helderblauw, vandage,
en warmer als twee dagen
     of drie geleên; de locht
     die k aseme is voortaan
     zoo licht en onbelaân,
dat door mijn longen ik
hem lustig late jagen.

Hij loopt omtrent me heen,
hij speelt me voor de voeten;
     mijn haar omwentelt, en
     mijn kaken kust hij koel;
     in lijf en leên gevoel
ik weêr den jongen dag
den ouden dag verzoeten.

Hoe raast die wilde wind
mijne ooren vol! Ze tuiten,
     ze tieren allerhand
     geruchten in mij, recht
     een stamerend gevecht
van stemmen is t, die k slaan
en bermen hoore, buiten.

Dan buige ik mij vooruit
en wil de borst hem bieden;
     k ga stevig, stap voor stap,
     en k leune, lijf sta bij;
     wie zalder, ik of gij,
nu zege halen, wind,
of t zegeveld ontvlieden?

Zoo wierd er vroeger, t is
mij eeuwen lang geleden,
     door hem die "Israël"
     nadien voor name droeg,
     bij nachte en s morgens vroeg,
op een die, na den strijd,
hem zegen gaf, gestreden.

Dan, laat mij zegen ook,
uit uwen mond, verwachten,
     o sterke vechter, Wind,
     die, loopende achter t veld,
     mij schier omverrevelt
en worstelt tegen mij,
en wijgt uit al uw' krachten.

Ik bidde u, zegent mij:
niet eer en wille ik wapen
     omleege leggen, u
     ontwijkende, eer gij doet
     ontwaken mij dat bloed,
dat, al te langen tijd,
gerust heeft en geslapen.

Kortrijk, 22/3/1898


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster