O  LEEKSKEN  LICHT    

        Spero lucem

     o Leeksken licht,
dat door het glazen dak mij
     beloopen komt,
en voor de vuisten valt;
     mijn herte lust,
het langt om uw gezelschap,
     en neerstig uw
bezoek genieten zal t.

     Hoe tijelijk uit
en schaars is uw' beleefdheid;
     uw lief gelaat
hoe ras is t mij geroofd:
     ge n zijt nog maar
volrezen, of weêr af zijt
     gij, levend licht,
gedaald en uitgedoofd!

     Zijt willekom
nochtans, en, eer den nachttijd,
     de vlerken los
en, leeuwerke in t gevang,
     eens vrij gepoogd
te vliegen naar het daglicht;
     gezongen eens
den blijden hemelzang!

     t Is weêrom weg,
noch licht en is t noch dag meer;
     mijn' penne moet
voortaan weêr in den hoek:
     verleene God,
die leven, licht en liefde is,
     o leeksken licht,
mij morgen uw bezoek!


Guido Gezelle
(12/2/1893)


Toelichting

spero lucem (Job, XVII, 12) = ik wacht op het licht
leeksken = straaltje
langt om = verlangt naar
hoe tijelijk uit = hoe spoedig voorbij
volrezen = opgerezen


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster