Vol naalden vliegt de lucht,
vol priemend ijsgekertel,
dat glinstert in de zon,
en, met den asemtocht
gezwolgen, kilt en kerft
de kele en t haargespertel
,
dat in de neuze temt
den toevoer van de locht.

t Is bijtend koud. Een spree
van witheid, ongemeten,
t zij waar ge uwe oogen vlucht,
ligt overal gespreid;
t is snee' tot in uw huis,
t komt snee' door al de spleten;
t is snee', t is immer snee',
en al sneeuwwittigheid.

De wind komt, wild en boos,
gesnoeid uit alle gaten;
geen ruste en wilt hij, eer
hij eenmaal weten zal
dat t volk verdwenen is,
en hem wilt meester laten...
t Is bijster, bijtend koud,
en t wintert overal.


Guido Gezelle
(1882?)


Toelichting

priemend ijsgekertel: priemvormige ijskristallen
met den asemtocht: samen met de adem
gezwolgen...locht: en vlg. ingezwolgen, ijskoud maakt en als t ware in de keel kerft en in de verwarde neusharen
temt: hindert
locht: lucht
spree: sprei
t zij waar ge uwe oogen vlucht: waar ge ook uw ogen laat gaan
snee: sneeuw
al sneeuwwittigheid: niets dan witte sneeuw
gesnoeid: snijdend aangewaaid
Ingezonden door Constant Broos
HTML: Marc van Oostendorp, voor het Project Laurens Jz. Coster