DE NAVOND KOMT ZO STIL

De navond komt zo stil, zo stil
zoo traagzaam aangetreden,
dat geen en weet, wanneer de dag
of waar hij is geleden.
t Is avond, stille... en, mij omtrent,
is iets, of iemand, onbekend,
die, zachtjes mij beroerend, zegt:
"t Is avond en t is rustens recht."

De boomen dragen gansch de locht
vol groen, nog onbestoven;
en k zie, zoo dicht hun' blaren staan,
nog nauwlijks deur de hoven;
k en hoore niets, al om end om,
van t zoetgekeelde vogelendom,
t en zij, het donker loof beneên,
den nachtegaal zijne avondbeên.

Hij zingt! Ach, wist hij zelf hoe schoon
hij zingt! Het is onwetend,
dat zingend hij mijne ooren boeit,
en aan zijn' kele ketent.
Ach, wist hij t gene ik wetend ben:
dat dankbaar ik toch wete en ken
wie hem zijn' tale, en mij daaraf
t genoegen en t genieten, gaf!

Hoe lieflijk zingt hij! Maar, wat hoor
eensgangs ik ginder gekken?
Wat is t, dat her end weder her
verergerend gerrebekken
?
Och, vorschenvolk, in t waterwied,
houdt op! En stoort de stilte niet:
laat hooren mij dat leutig slaan...
En, kwelgediert, houdt op voortaan!

Hebt daar!... Het speit, den steen rondom,
en, uitgestrekter schenen,
zijn al de vorschen, diepe in t goor,
in t zwijgend goor verdwenen!...
Eilaas, de nacht en t donker zijn
bezitten nu den zanger mijn:
noch nachtegaal, noch ruit noch muit,
en hoore ik meer... t is uit, t is uit!


Guido Gezelle
(juni 1882)


Toelichting

navond = avond
geleden = voorbijgegaan
mij omtrent = in mijn omgeving
dragen... vol = vullen met
locht = lucht
deur = doorheen
om end om = in wijde kring
het donker loof beneên = onder het donker loof
daaraf = daarvan
eensgangs = eensklaps
dat her end ... gerrebekken = dat telkens weer uitdagender (verergerend) kwaken
vorschenvolk = bende kikkers
hebt daar = pak aan
speit = spat
uitgestrekter schenen = gestrekte poten
goor = modder
noch ruit noch muit = geen kik
Ingezonden door Constant Broos
HTML: Marc van Oostendorp, voor het Project Laurens Jz. Coster