HET  ZONNELICHT  IS  NEERGEDAALD

Het zonnelicht is neergedaald
     en t gaat bij andere lieden,
verwacht en welkom-weer onthaald,
     den dag hun doen geschieden.

Het morgent daar, het avondt hier,
     en wonderschoone verven
zie k wentelen in het westervier,
     en stille, stille sterven.

t Was rood eerst, helder peersch weldra;
     en, blauw- en blauwerwendig,
door al de hemelen heerscht daarna
     één duisterzijn bestendig.

Noch nacht en is t noch dag: het vier
     der zonne is schaars geweken,
of, helpzaam wordt de keerse hier,
     daar de avondzonne ontsteken.

Het pinkoogt, of t een meisken waar'
     dat weenen wilt, van verre,
nu zuid, nu noord, nu hier, nu daar
     een' nieuwgeboren sterre.

Dan, waar ik sta, zie k, om end om,
     Gods legerwachten waken;
en, in dien eindloos wijden kom,
     al s hemels diepten blaken.

Hoe bang ben ik! k En durf bijkans
     mijne oogen niet betrouwen,
o Heere, op uwen sterrenglans:
     hoe zal ik U aanschouwen?


Guido Gezelle
(10/12/1890)


Toelichting

verven = kleuren
blaken = gloeien


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster