R E C H T E  N E E R W A A R D S

Rechte neêrwaards,
ongelenigd,
valt de sneeuw; die,
     blij noch blank,
moze maakt en
moze menigt,
straten verre en
     uren lang.

Koud is t, schoon de
dagen langen;
en de bijstere
     wolkenlucht
houdt den mensch bij
t vier gevangen,
daar hij schaars de
     vlagen vlucht.

Zal t dan nooit meer,
moegeknezen,
vrij, mijn hert, van
     kommer zijn?
Zal t dan nooit meer
uitgebezen,
zal t dan nooit meer
     zommer zijn?

Zonnekrachten,
brandt en bluistert,
breekt de ketenen,
     schendt het graf,
daar ik zitte en,
weggeduisterd,
wachte, och arme, uw'
     stralen af!

Kan t niet helpen?
Wil noch zal men
nimmer luisteren
     naar mijn' stem...?
"Hallelujah!"
hoore ik galmen,
"Christus rees: rijst
     meê met Hem!"


Guido Gezelle
(9/3/1891)


Toelichting

ongelenigd = zonder ophouden
moze = modder
menigt = doet toenemen
langen = lengen
bijstere = buiige
moegeknezen = moe van het klagen
uitgebezen = zonder buien
bluistert = schroeit, zengt
weggeduisterd = verzonken in het duister


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster