ONEIGENE

Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten te schanden?
Mijn herte en mijn tale, mijn
zede en mijn zin,
t is al zoo van buiten, t'is
al zoo van bin':
t ligt alles daar bloot op mijn' handen!

Dan weg met de oneigene
tale en den schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw dat en
wille ik niet zijn,
dat in mij en aan mij is
dat heete ik mijn:
oneigene, ik late u... gaat reizen!


Guido Gezelle
(1877?)


Toelichting

en ... niet: niet (dubbele ontkenning)
Ingezonden door Constant Broos
HTML: Marc van Oostendorp, voor het Project Laurens Jz. Coster