O PEREBOOM

o Pereboom, belaên
met al goudgeelwe blaên,
octoberziek en treurig,
de winter is t, die naast,
en t al het land uit blaast
dat groeizaam is en geurig!

Nog onlangs stondt gij daar,
o schoone perelaar,
één' witte wolke blommen,
die t weerd was om te zien,
en die naar u de bien
van verre en na deed kommen.

De zomer ging voorbij,
en dan bekroondet gij
uw edel hoofd met bruine,
zoetvleeschde peren, van
daar schier mijn hand aan kan
tot in uw' hoogste kruine.

Nu staat gij daar en treurt,
ontkinderd en ontkleurd,
en schijnt alom te vragen:
zal niemand, die mij zag
in mijnen schoonen dag,
me een meêlijend herte dragen?

o Pereboom, vaart wel;
n wilt voor winter fel
noch weemoed buigen neder:
de winter komt en gaat,
o pereboom: weêrstaat,
verrijzen zult gij weder!



Guido Gezelle
(5/11/1890)


Toelichting

belaên: beladen
met al goudgeelwe blaên: met goudgele blaren
naast: nadert
bien: bijen
na: nabij
daar schier mijn hand aan kan: waar mijn hand bijna bij kan
ontkinderd: van uw kinderen beroofd
me een meêlijend herte dragen: me een meevoelend hart toedragen
Ingezonden door Constant Broos
HTML: Marc van Oostendorp, voor het Project Laurens Jz. Coster