A B E E L E N     

Verschgevelde abeelenboomen
     liggen langs de grachten heen,
die den ouden zandweg zoomen,
     hoofd en armen afgesneên.

Sterke stammen, kon dat wezen,
     gij, die, op en in den grond,
met uw' voeten vastgevezen,
     vamen diep, ondelgbaar, stondt?

Gij, die 't zwaar geweld der winden,
     kreunende, op uw kruinen droegt;
die zoo lang den boosgezinden
     wintervijand wedersloegt?

't Edel hoofd intweengespleten,
     knoken in den grond geboord,
wie heeft 't al u afgebeten,
     dat uw' schoonheid toebehoort?

Spillen zie 'k, en spanen, dragen;
     splenters, uit uw hoofdgewaai;
takken uit uw' toppen zagen,
     kerven af uw' teenen taai!

Elk komt uit en wondt en snijdt u;
     raapt en rooft, met volle hand;
nu dat, omme' en verre en wijd, uw
     hooge kroone ligt in t zand.

Vijandschap, aan alle zijden,
     woedt om uwe ellendigheid:
heeft u ooit, in vroeger' tijden,
     vrede en vriendschap één ontzeid?

Edel volk, wanneer gij wachttet,
     langs den weg, en schaduw smeet
op die, moegegaan, versmachtte 't
     zonnevier, was 't iemand leed?

Iemand leed! Ach, laat mij weten
     wie dat 't is, die, afgemat,
heeft ondankbaar neêrgezeten,
     in de schaduw! Leert mij dat!

Meermaals mocht ik asem halen,
     vluchten onder 't groene dak,
als het zweerd der zonnestralen
     scherp mij in de lenden stak.

Boomen, in uw' looverlane,
     tellende, een voor een, u al,
's zomers, zoete abeelenbane,
     zelden ik nog komen zal!

't Deert mij zoo! - De abeelenboomen
     liggen langs de grachten heen,
die den ouden zandweg zoomen,
     hals en handen afgesneên!

7-8/1/1897


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster