A V O N D      

Het licht verlaat ons: dampen doen
     nu de aangenaamste geuren;
de lucht ontblauwt, en verruwloos
     bedijgen daken, deuren.

De huizen sterven langzaam uit,
     en t wordt te mingelmalen,
dat scherp, en onaanschouwbaar, al
     dat schoon was, heen te dwalen.

k En zie bijkans geen boomen meer,
     t en zij twee lange striepen,
of drie, die recht omhooge gaan
     en doen alsof ze sliepen.

Ze grauwen, op den grauwen grond
     des hemels, afgesneden;
onduidlijk van gedaanten: en
     nog grauwer is t beneden.

De vogels zijn gaan slapen, in
     hunne onbekende wiegen;
ze rusten en ze zwijgen nu:
     de vlindermuizen vliegen.

k Ontgeve t mij, maar, zag ik niet
     zoo zaan een sterre pinken,
en, evengauw verdwenen, in
     den diepen hemel zinken?

t Is avond weêr, alteenegaar,
     en, tijdelijk verborgen,
is t daglicht, in de duisternisse,
     en t zonneken, tot morgen.

Goên nacht, en God beware u al,
     die reizen, waken, slapen...
Die sterven zult, in vreden: k ga
     mij ook een rustjen rapen!

12/6/1896


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster