A V O N D R O O D           

Nog nauwelijks is het groen
der boomen groene, en even
zijn, toppewaards, alleen
de takken groen gebleven;
     al t ander zwarter wordt
     en zwarter: boomen net,
     van zwarte zijde zijn t,
     op blauw satijn gezet.

t Leeft alles langzaam uit,
dat verwe is: henen dalen
de laatste en langste van
de lieve zonnestralen;
     t wordt watergroene, omhooge;
     omleege, brandt en broeit
     de groote zonne nog,
     die zinkt en grooter groeit.

Ze duikt heur aangezicht
beneên des werelds neggen,
die, eindloos, slinks en rechts,
hun lange lijsten leggen;
     die k opwaardstriemen, die k
     een' wolke twee of drie
     den zonnezienden kant
     geheel vergulden zie.

In t heerlijk zonnenveld,
dat donker wordt omhooge,
en langzaam donkerder
en dieper, staan ten tooge,
     geschreven, zwart op goud,
     een bende reuzen groot:
     het eindloos boomenvolk,
     in t eindloos avondrood.

Beziet mij haastig nu
die schoonheid! Neder nijgen
de duisternissen: t veld,
het vee, de vogels zwijgen;
     het nauwt, in t westen; nog
     een tijdje, en, doodgedaan,
     zal al die heerlijkheid
     gedekt en donker staan.

21/10/1896


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster