B E T U L A   A L B A   L.     

     k Groete u, wit als molkenroom,
in den bossche en achter strate,
s zomers, s winters, vroeg of late,
     bleekgebolden berkenboom!

     Edeldrachtig houtgewas,
s zomers laat ge uw' teere takken,
hangend haarwijs, ommezwakken,
     of t een spruitend water was.

     Lijzig door uw hoofdgewaai,
ruischt het dan, of, in uwe armen,
honge een' bende bie'n te zwarmen,
     rustloos, in den zonnelaai.

     s Winterdaags, alhier aldaar,
om uw' blanken hals en rugge,
zwart gelijk een meuzievlugge,
     zwiert uw schudderachtig haar.

     Reuzen zijn de boomen dan,
die malkander, bloot van armen,
slingervuisten, dat men t karmen
     heinde en verre hooren kan.

     Daar noch eek noch essche en wast,
hooge in t noorden, hoore ik melden,
t land der skandinaafse helden,
     staat gij, rotse- en wortelvast.

     s Scheemans roede en s boden staf,
t heidensch recht- en vredeteeken,
esschen hout en was t, noch eeken:
     t was uw' berken borst, die t gaf.

     "Berk," zoo hiet de noordsche B,
een der zestien ruinenstaven,
die, onroomsch, te weten gaven
     wat ons voorvolk dacht en dee.

     Schald, die wijsheid wist, hij nam,
eer hem pergamenten blren,
of papier, berijmbaar waren,
     uwen bast, o berkenstam.

     t Schamel daaglijksch-broodgenot
spaart de berk u, bezembinders.
"Spaart den berk, gij haat uw' kinders,"
     leert u, ouderen, t Woord van God.

     Weg en woonstede opgefrischt,
maakt den berkmei torreveerdig:
morgen draagt men t Hoogeerweerdig
     om den dorpe en... kermesse is t!

     Daarom heffe ik, overwaar,
komende in den bossche u tegen,
of omtrent des Konings wegen,
     u den hoed, o berkelaar!

27/1/1894


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster