H O E   Z E E R E   V A L L E N   Z E   A F

Hoe zeere vallen ze af,
     de zieke zomerblâren;
hoe zinken ze, altemaal,
     die eer zo groene waren,
          te grondewaard!
Hoe deerlijk zijt gij ook
     nu, boomen al, bedegen;
hoe schamel, die weleer
     des aardrijks, allerwegen,
          de schoonste waart!

Daar valt er nog een blad;
     het wentelt, onder 't vallen,
den alderlaatsten keer,
     en 't gaat de duizendtallen
          vervoegen thans:
zoo zullen ze, een voor een,
     daarin de winden bliezen
vol luider blijdzaamheid,
     nu tonge en taal verliezen,
          en zwijgen gansch.

Hoe zeere vallen ze af,
     onhoorbaar in de lochten,
en schier onzichtbaar, in
     de natte nevelvochten
          der droeve maand,
die, 't ijzervaste speur,
     ontembaar ingetreden,
die al de onvruchtbaarheid,
     die al de onvriendlijkheden
          des Winters baant!

Daar valt er nog een blad,
     daar nog een, uit de bogen
der hooge boomenhalle,
     en 't dwerscht den onbewogen
          octobermist:
't en roert geen wind, geen een,
     maar 't leken, 't leken tranen,
die men gevallen zou
     uit weenende oogen wanen:
          één kerkhof is 't!

Gij, blâren, rust in vreê,
     't en zal geen een verloren,
geen een te kwiste gaan
     voor altijd: hergeboren,
          die dood nu zijt,
zal elk van u, dat viel,
     de zonne weêr ontwekken,
zal met uw' groenen dracht
     de groene boomen dekken,
          te zomertijd.

o Zomer!... Ik zal eens
     ook Adams zonde boeten,
gevallen en verdord
     in 's winters grafsteê, moeten;
          maar, 's levens geest,
dien gij gesteken hebt
     in mijn gestorven longen,
dien zult gij mij voor goed
     niet laten afgedwongen,
          die 't graf ontreest!

14/10/1894


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster