D E  B L E E K E R S G A S T   

t Ververscht mij, in t geweld gestaan
     der hooge zonnekrachten,
te zien van verre, aan t water slaan,
     vuls arems, uit de grachten,
den bleekersgast: de regenvloed
t geleschte lijnwaad ronken doet.

Den lepel zwaait hij, zwak van leên,
     ter beken uit, omhooge;
en waken doet, hoe verre heen
     hij werpen kan, zijne ooge:
de laatste lage en mist hij niet,
en al dat drooge is nat hij giet.

De groote zonne lacht daarop
     heure alderliefste lonken;
die, vallende in den dreupeldrop,
     den dreupeldrop ontvonken:
ik regenbogen, smal van bouw,
nu hier nu daar, in t gers aanschouw.

Het lijnwaad is, en t gers, nu nat
     genoeg; de lanen leken;
en wederom zijn spegelglad
     van aanschijn al de beken;
de bleker zit en droogt entwaar
de peerlen uit zijn kroezelhaar.

Verzachten doet dat regenbeeld
     t geweld der heete stralen,
en lichter in de longer speelt
     voortaan mij t asemhalen:
zij vrede aan al die t schoone van
Gods wonderheên beseffen kan!

7/5/1895


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster