B L O O T A K K E R    

Geen één blad op de boomen! Af
       is alles; voor de vlagen
gevallen onder voet en van
       de winden weggevaagd,
het schilderschoone aanschouwen, dat
       het bonte najaar draagt:
noch wit en zijn, noch groene meer,
       de scherpe doorenhagen.

k Zie heinde en verre, deur end deur
       de velden nu, de kerken,
de huizen en de hoven staan,
       zoo bloot als op mijn' hand;
van verre zie k de peerden en
       de menschen, op het land,
zoo neerstig en zoo kleene, alzoo
       de mieren zijn, aan t werken.

t Is wijd en breed al, ommentom,
       k gevoel t nu, aan de baren
des wilden Winds, die henentuimt
       en, tierende onder t hout,
zijn' stemme schijnt te missen en
       zijn' tale, die zoo boud,
zoo bulderende, aan t roepen zat,
       hiervoortijds, in de blâren.

t En wonen meer geen' vogels in
       de boomen! Zoo gij, wepel,
nen overjaarschen aksternest
       entwaar nog hangen vindt,
van boven in de abeelen, t is
       een' wiege zonder kind,
die waagt, en geen geluid en geeft:
       een' klokke zonder klepel.

k Zie geren nu de takken, dikke
       en dunne, uit eenen stamme
gesprongen, rechte omhooge staan,
       hun' handen uitgestrekt;
zoo schoone, als of zij baden, dat
       de Winter hunne ontdekte
en teere, jonge leden toch
       niet teenemaal en stramme.

Vervarelijke Winter, laat
       u murwen, u verzoeten:
dekt alles, eer gij vriezen komt,
       voorzichtig, in de snee;
n ijzelt op de boomen niet,
       die breken zouden! Wee
der takken, als ze t wegen van
       den ijzel tillen moeten!

In stukken slaat ge, Winter, dan
       de boomen. Hoort ze kermen:
ze sleuren elk den anderen
       zijn telgen, zwaar als steen,
te grondewaard; ze stubbelen
       ze storten, al deureen...!
Vervarelijke Winter, laat t
       der schoonen u ontfermen!

4/12/1896


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster