H E T   B O R E L I N G S K E       

Zijn tandelooze mond
lacht lieflijk; ongewonnen
zoo is het woord hem nog,
en t weten onbegonnen
     van mannelijk verdriet,
     van vrouwelijk misbaar:
     een kerstekind en is t,
     een borelingske maar.

o Mochte t, immer voort,
eenparelijk verblijden;
een borelingske zijn,
dat lacht, ten allen tijden,
     zoo t nu doet; onbewust,
     het muilke rood en rond,
     waarom zoo lustig lacht
     zijn tandelooze mond!

Zijn tandelooze mond
zal, eenmaal, tanden moeten;
t zal woorden spreken; t zal
t zoet wichtje, eens, wel ontzoeten;
     t zal wakker worden, en,
     gewassen, meer als eens,
     zijne oogen wasschen, naast
     de bronnen des geweens.

6/10/1896


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster