C A S S E L K O E I E N

Aanschouwt mij, hier en daar;
die bende Casselkoeien;
die, louter bruin van haar,
als zooveel blommen bloeien,
in t gers en in de zon, die, zinkend henentiet:
die, rood, het roode veld vol roode vonken giet.

t Is prachtig overal,
t is prachtig, hoe de huiden
dier koeien liefgetal
van vouwe en verwenluiden;
t is prachtig, hoe ze staan, gebeiteld en gesneên,
lijk beelden, over heel die wijde weide heen.

Daar zijn der, roode als vier;
castanjebruin geboende;
naar donkerbaaide bier,
naar bijkans zwart bier doende;
beglinsterd en beglansd: van vel en verwigheid,
gelijk en ongelijk - terwijl de zonne beidt.

Al langzaam langer speelt,
dwersdeur de weidegronden,
t zij welker koe een beeld
van schaduw bijgebonden;
en, wangedrochtig groot, in t donker gers, voortaan,
zie k zwarte spoken van gevlerkte koeien staan.

Goên nacht! De zonne beet
ten neste neêr: tot morgen
is al dat verwe heet,
en oogen aast, verborgen:
de koeien zijn voorbij, gedelgd en uitgedoofd,
en... morgen weêr, ontwekt ze t blinkend zonnehoofd.

13/09/1896


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster