D E  D O N D E R R O E       

     De scherpe donderroe verdreegt, of waar t,
     het wolkenschip, daarin de donder vaart,
     te booren door den boeg. Het zwerk alom
is zwangergaande; zwaar, de zwarte hemelkom.

     Gezwegen wordt er heind en verre. t Is
     benauwelijk, als in een vangenis,
     daar, angstig, iedereen t gerucht verwacht
des grendels, en den roep des doods, te middernacht.

     Een kruise, schielijk, elk een kruise haalt,
     te borste van den hoofde... Neder straalt
     de bliksem: bulderend de donder dan
bebast de bevende eerde, al dat hij bassen kan.

     Wel honderd bommen, al medeens gelost,
     herhalen t bassen: t huilt en t hossebost,
     en t ratelt, overal, in t wolkenschip,
daarin de donderroe duwt heuren glavietip.

     Hij vlamt het vier daaruit omhoogevonkt;
     de wolken breken los, de regen ronkt,
     en t giet, en t golpt, en t geult, t is zonder eind.
"God zegent," zegt het volk, "de dondervlage." t Reint.

15/10/1896


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster