E E U W E L I N G E N      


    Gedaagde, bodemvaste boschgenoten,
        boommen, die k, wel vichtig jaren lang,
            boom wete; en zoo hooge als nu geschoten,
                gezien hebbe, op zoo menig wandelgang;
    wat ben ik, arme miere, u bijgeleken,
die sta en u aanschouwe, o hooge boomenreken!

    Mijn' handen, uitgestrekt, en konnen, eiken,
        beuken, op wel twee drie vamen naar,
            vamende u om t lijf, malkaar bereiken,
                noch meten uwen stam, die, machtig zwaar,
    die machtig diepe staat, den grond beneden,
in de onuitroeibaarheid van uwe wortelsteden.

    Gij grijpt mij, groote boomen, vast; en k voele
        vreze mij het hert des herten slaan,
            hoore ik, al met eens, omhooge, t koele
                gedaver van de winden door u gaan!...
    Gij spreekt dan tegen hen zoo'n zware sprake,
dat, angstig en ontsteld ik worde, en koud gerake!

9/2/1897


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster