E L I S A B E T H        

     Gij pleegt een edel liefdewerk, voorwaar,
wanneer gij, bij des winters wilde razen,
weldadiglijk uw' vrije vensterglazen,
     de bane langs, in t diepste van het jaar,
     vol hemelschoone blomgewassen zet,
weledele vrouwe, en zuiverlijke Elisabeth!

     Ik ben uw arme bidder: k hebbe dorst,
en honger; achter strate moet ik varen,
verarmoed en veracht; en, voor de jaren
     verstijven hand en voet mij, van den vorst;
     maar gij, o koninklijke Elisabeth,
van blommen hebt gij milde en maaltijd voorgezet.

     Och ja, ge zoudt mij helpen, vroege ik om
nen troost, in mijnen dorst, in mijnen honger;
gij lauwen zoudt de locht, die mijne longer
     in t leven houdt, en k ware u willekom:
     maar liever zie k uw' blommen, daar gezet,
als alle gaven, giftelijke Elisabeth!

     t Is omgewend, het wonder, dat weleer
verwisselde in geplukte roozenblâren
hetgene een' koningin den bedelaren
     was dragende, bespied van haren Heer
     en koning: ate en drank, Elisabeth,
zijn de edele blommen mij, die ge in uw venster zet!

9/4/1895


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster