G O E V R I J DA G     

s Goevrijdags ratel, rauwgetand,
     dwersdoor de kerke relt,
terwijl het volk, stilzwijgende, om
     den autaar neêrgeveld,
den God aanbidt, dien Golgotha
     zag sterven, naakt en bloot,
s goevrijdags, op den schandeboom,
     de schandelijkste dood.

De ratel relt de kerke door,
     noch koper nu noch brons
en hoore ik, ook den orgel niet:
     men bidt den "Vader ons."
En al mijn bloed verkruipt, wanneer
     ik, spraakloos, in den choor,
het kraken van de bergen... neen
     den houten ratel hoor.

Het autaarkleed is afgedaan,
     het wierookvat gebluscht,
de lichten al gestorven, en
     de ratel zelve rust;
t houdt alles op, de zonne schijnt
     te vragen, ongetroost,
of morgen zij nog heffen zal
     heur aanzichte, in den oost.

Als vader sterft, de kinderen
     vergâren om de spond
des stervenden, en knielen daar,
     en bidden, in de grond:
zoo knielen, in de kerken, in
     de huizen nu, vereend,
de menschen, en, in stilte, wordt
     gebeden en geweend.

t Is dood nu al: God zelve stierf
     de dood! Wie dierve er, ach,
schier leven, in de droefheid van
     dien al te droeven dag?
Geen woord en zij gesproken meer:
     ons Heere hangt en bloedt,
gekropen zij ten kruise nu,
     gebiddaagd en geboet!

22/1/1897


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster