H E T   H A Z E G R A U W T

Vroeg avondt het, geleden
     een stonde of twee
is 't zonnevier beneden
     de kimme alree.

Niet heel en al verloren
     het licht en is;
noch teenemaal geboren
     de duisternis.

Het hazegrauwt, de lanen
     vol licht weleer,
de wegels en de banen
     en ziet men meer.

Zoo stille staan als beelden,
     de boomen nu;
die roerden en die speelden,
     ze droomen nu.

Die ruischten en die riepen,
     de boomen, nu;
ze doen alsof ze sliepen:
     ze droomen nu.

De takken en de blâren,
     de stammen zijn,
die menigwendig waren,
     nu eens, in schijn.

Van verwen en van voeren
     al eensgedaan,
en reppen noch en roeren
     ze 'n lid, voortaan.

't Is vochtig en, gekropen
     uit de eerde, vaart
de wadem, op en open,
     omhoogewaard.

De nevel valt, van boven
     beneên gespreid;
gesponnen en gewoven,
     vol duisterheid.

Gepelderd en gewonden,
     elk hout nu staat;
gebunseld en gebonden,
     in lijkgewaad.

Gestorven zijn de boomen:
     één grafsteê, al
van dampen en van doomen,
     ze bergen zal.

God geve aan oud- en jongen
     nu roe' en rust:
de lijkdienst is gezongen,
     en 't licht gebluscht.

1/11/1896


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster