O   H E E M E L I J K E   D I E P T E N   

o Heemelijke diepten van
t vol schaduw hangend boschgebied:
vol schaduwe en vol duisterheid,
vol nacht en dauw, dooreengespreid!

t Is morgen, en de zonne berst
alhier, aldaar, ontembaar, uit
den nachtelijken moederschoot:
"Hier ben ik!" roept de zonne groot.

"Hier ben ik!" En, ze doet den dauw,
in t veld, en al dat vochtig is,
verdampen. Deur de glazen valt
ze in t huisgezin: - ontwekken zal t!

t Is licht alom: t is leven al,
dat t zonnebeeld aanschouwde: alleen,
daar diepe, in t eenzaam boschgebied,
en zie k, o schoone zonne, u niet.

t Is duister, en t is nacht daar nog;
met hier en daar een' gulpe of twee,
daar t groen wordt, uit der grouwbaarheid...
k en weet niet hoe t nen naam gezeid!

De zonne grijpt al vaster nu
de trappen aan des luchtgebouws:
ter zege vaart ze, hooge en blij;
geen boom die heur werbarstig zij!

Zij giet, dat elk het merken mag,
bij geuten, vier en werkzaamheid
den bosche in: dweersche balekn gaan,
vol speitend licht, den bodem slaan.

Het mosch, het loof, het blinkend hout,
de takken, zware of lijze, loopt
zij lustig laven: - heerlijk is
verwonnen weêr de duisternis.

Verwonnen zij de dood, en al
dat duisternisse of boosheid heet,
door t Licht van U, die, tallertijd
verwinnende, onverwonnen zijt!

5/9/1895


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster