H E T  H I N G S T D I E R      

Uit zijn groote longerpijpen
     rookt het ros, dat t schaûwe geeft;
stampvoets stoot het, stijf en stevig,
     dat de stompe steenweg beeft:
sterk van lijve, staal in de ooge,
          kop omhooge,
          huis ondrooge,
     voorwaards voert het, nij'g en trotsch,
     t hossebossend wielgeklots.

Vriezen mag het, zonnebranden,
     duister zijn, of helder dag;
ruw de weg, of effen; dapper
     slaan of niet, de geeselslag,
pinnen zal me t hingstdier, moedig,
          trage of spoedig,
          kittelbloedig:
     deizen, dat en doet het niet,
     alzoo lang het bane ziet.

Edel dier, der Sassen vreugde,
     geren zie k u lustig gaan;
geren zie k den last u volgen,
     geren zie k uw' schoonheid aan,
denkend hoe, bij vroeger dagen,
          rossen lagen
          neêrgeslagen,
     vielen voor het autaarvier,
     zwolten in hun bloed, alhier.

Neen, en valt geen' valsche goden,
     schoone peerden, meer ten zoen;
dient den mensche, en laat de menschen,
     die gij dient, geen' dere u doen.
Die u, hingstdier, moegesmeten,
          zonder eten
          kan vergeten,
     zulk een mensch, na mijnen zin,
     zelve een dier is, meer noch min.

God en doemde u niet ten kwade,
     God en hiet u kwellen ooit;
zij de krebbe u wel voorzien, en
     zij de stal u wel gestrooid:
helpt de boeren, helpt de sterken,
          neerstig werken:
          op uw' vlerken,
     vliegt den wind voorbij, en dan,
     haalt er eere en haver van!

"Horsenvleesch en zult gij eten,"
     geldt het nu nog, hier en daar:
"want, het bloedde voor den afgod!"
     Vroeger was dit zeggen waar:
zijn die dagen lang verleden,
          zijn het heden
          ander' zeden,
     Vlaming, na de ouden eesch,
     nooit en ete ik - peerdevleesch.

23/9/1896


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster